In wiens belang is die nevenfunctie?

Hoogleraren economie en accountancy hebben er vaak een commerciële baan naast. Dubbelfuncties mogen, maar discussie is er wel. ‘Praktijkhoogleraren’ vinden zelf dat ze een nuttige bijdrage leveren.

Ieder jaar legt hoogleraar corporate finance Jaap Koelewijn zijn studenten van de Nyenrode Universiteit uit hoe de kredietcrisis is ontstaan. „Hoe kan het dat we allemaal dachten slimmer te zijn dan de rest van de markt?”

Koelewijn kan het weten, want hij was erbij. Niet vanaf de zijlijn, uitkijkend uit een ivoren toren van de universiteit, maar met zijn voeten in de modder. Koelewijn is namelijk slechts één dag in de week hoogleraar, en bovenal een ‘praktijkman’. Als zzp’er doet hij advieswerk in onder andere corporate finance en beleggingsbeleid, voorheen had hij banen bij de AFM, Robeco en MeesPierson.

‘Praktijkhoogleraren’ als hij leveren een nuttige bijdrage aan de universiteit, meent Koelewijn. „Je kunt de kwetsbaarheid van het financiële systeem pas echt begrijpen en overbrengen wanneer je het aan den lijve hebt ondervonden. Ik heb in 1998 bijvoorbeeld een adviesportefeuille beheerd: ik weet heel goed hoe moeilijk het is winst te laten liggen, en hoezeer je onder druk wordt gezet om met positieve resultaten te komen. Ik heb er zelf tot over mijn oren ingezeten – fouten gemaakt en geld verloren.”

Veel hoogleraren die zich bezighouden met de economische en financiële sector combineren hun hoogleraarschap met commerciële nevenfuncties, of – zoals in het geval van Koelewijn – andersom. Uit onderzoek van De Groene Amsterdammer onder 600 hoogleraren economie, finance, accountancy, bedrijfskunde en fiscaal recht bleek onlangs dat 44 procent er één of meer commerciële banen in het bedrijfsleven op nahoudt. De hoogleraren bleken vooral bij de vier grote accountants- en advieskantoren PriceWaterhouseCoopers, KPMG, Deloitte en Ernst & Young te werken. Ook advieswerk bij banken en pensioenfondsen komt veel voor. Hoewel die dubbelfuncties niet verboden zijn, leidde het onderzoek van De Groene tot fikse discussie en Kamervragen, omdat hoogleraren door hun dubbele petten in hun onafhankelijkheid zouden kunnen worden aangetast. Minister van Onderwijs en Wetenschap Jet Bussemaker antwoordde geen probleem te zien in de dubbelrollen, zolang hoogleraren hierover maar transparant zijn.

‘Wetenschap is geen doel op zich’

Muel Kaptein combineert al zestien jaar zijn werk als hoogleraar bedrijfsethiek aan de Erasmus Universiteit met zijn werk bij KPMG waar hij partner is, mede-eigenaar dus. „Ik bén die combinatie”, zegt hij. „Wetenschap is geen doel op zich, maar dient om kennis, inzichten en modellen te ontwikkelen die in de praktijk kunnen worden toegepast. Enerzijds moeten wetenschappers niet met modellen komen waar de praktijk niet op zit te wachten. Anderzijds moeten die modellen niet binnen de muren van de universiteit blijven liggen. Ik vervul een brugfunctie tussen die werelden.”

Zo merkte Kaptein tijdens zijn werk bij KPMG dat bedrijven worstelen met de vraag hoe ze de integriteit en ethiek van de medewerkers kunnen verbeteren. „De gangbare oplossing is dat ze een code opstellen, een training ontwikkelen, of zogenaamde ‘compliance officers’ aanstellen.” Hij vroeg zich af: helpt dat eigenlijk wel? Kaptein onderzocht het belang van ethische culturen. „Waar bestaan die uit, wat wordt überhaupt ethisch gevonden? Dat leidde tot wetenschappelijke publicaties en modellen die je in de praktijk kunt toepassen.”

Uiteraard heeft de praktijk baat bij wetenschappelijk onderzoek, zegt ook Tom Steenkamp. Hij is co-hoofd Investment Solutions and Research van Robeco en voorzitter van het bestuur van de Robeco Premie-instelling en één dag in de week hoogleraar beleggingsleer aan de Vrije Universiteit. „Veel beleggingsstrategieën zijn wetenschappelijk onderzocht, de inzichten die daaruit voortkomen worden in een product verpakt en door bedrijven aan beleggers verkocht. Onderzoek geeft fundament aan het product.”

Dat betekent niet dat Steenkamp op de universiteit werkt opdat Robeco daar beter van wordt, benadrukt hij. Als Robeco een product baseert op een wetenschappelijke publicatie, maakt het niet uit of die van Steenkamp is, of van een ander. „Het gaat erom dat een wetenschappelijke publicatie altijd door vakgenoten wordt beoordeeld en dus onafhankelijk is. Die zijn allemaal wetenschappers, en werken niet bij Robeco.”

De voornaamste reden voor Steenkamp om zijn praktijkwerk met hoogleraarschap te combineren, is dat hij het ‘gewoon ontzettend leuk’ vindt. „Mijn functie bij Robeco is voor een belangrijk deel een managementfunctie, dat werk zou ik niet fulltime willen doen. Ik wil ook wetenschappelijk bezig zijn en artikelen schrijven, bovendien hou ik erg van lesgeven. Andersom zou ik het nooit vijf dagen in de week op de universiteit uithouden, dat is te weinig dynamisch.”

‘Pronken met de titel’

Sweder van Wijnbergen, UvA-hoogleraar macro-economie, is in het verleden zowel academisch als commercieel bezig geweest, maar op dat niveau zijn het altijd banen die je niet parttime kunt doen, vindt hij. „Twee serieuze banen tegelijk lukt niet, het gaat altijd ten koste van één van beide”, zegt hij stellig. Zelf werkt Van Wijnbergen tegenwoordig fulltime aan de UvA. „In het merendeel van gevallen komt het erop neer dat commercieel actieve mensen er een inhoudsloze hoogleraarsbaan van één dag in de week bij hebben. Ze pronken wel met de titel, maar doen nul wetenschappelijk werk. Ze begeleiden geen scripties, geen promovendi – laat staan dat ze zelf onderzoek doen. Áls ze wat afleveren is het vaak hbo-achtig werk. Ik snap niet waarom de universiteiten hieraan meewerken, want zo wordt de titel van hoogleraar uitgehold.”

Af en toe wat advieswerk mag best, zegt Van Wijnbergen. „Begrijp me niet verkeerd: ik praat ook met pensioenfondsen en De Nederlandse Bank. Het is zeker nuttig om contact te houden met de praktijk.” Als hoogleraar ben je een expert, het is dus logisch dat overheden of bedrijven af en toe advies en uitleg komen vragen. „Daar mag je je ook best voor laten betalen, als je het maar meldt bij de universiteit.” Maar je mag je volgens Van Wijnbergen geen professor noemen als je je niet overwegend met wetenschappelijk onderzoek en onderwijs bezighoudt. „Advieswerk is zelden van wetenschappelijk belang. Meestal gaat het over dingen die je al weet, anders zouden ze je niet om advies vragen.”

Dat de bedrijven zouden ‘pronken’ met de titels van hoogleraren, is wat overdreven, vindt hoogleraar Martin Hoogendoorn. Hoogendoorn werkt 60 procent als partner bij EY (voorheen Ernst & Young) en voor 40 procent als professor financial accounting aan de Erasmus Universiteit. Die verdeling bevalt hem prima, al moet hij toegeven dat hij graag meer tijd zou hebben voor onderzoek. „Natuurlijk kan ik niet evenveel doen als een fulltime hoogleraar. Het is daarom belangrijk dat er op de universiteit verschillende soorten hoogleraren zijn. Sommigen leggen de nadruk op fundamenteel onderzoek, anderen zijn meer op onderwijs gericht.”

Maar, vertelt hij ook: „Ik zeg niet dat EY het niet prettig vindt dat ik hoogleraar ben: een hoogleraar wordt immers beschouwd als deskundig en betrouwbaar.” Koelewijn, die zzp’er is en zelf zijn klanten moet binnenhalen, zegt het minder voorzichtig: „Ik zou meer verdienen als ik vijf dagen in de week mijn eigen praktijk zou voeren, en ik doe het hoogleraarschap in de eerste plaats omdat ik het leuk vind, maar mijn bedrijf heeft ook voordeel bij die titel. Een beetje bekendheid helpt om business binnen te halen – plat gezegd.”

‘Ik ben kritisch en scherp’

Tegelijkertijd weten zijn klanten dat Koelewijn, die columns schrijft voor Het Financieele Dagblad, ook wel eens een opvatting verkondigt waar ze niet blij mee zullen zijn. „Dat hoort zo als je hoogleraar bent: je staat ergens voor. Ik ben kritisch en scherp, maar – laat ik het zo formuleren – ik moet ook constructief zijn. Binnenkort mag ik bijvoorbeeld een lezing geven bij de Nederlandse Vereniging van Banken over hoe banken met hun klanten moeten omgaan. Zo’n uitnodiging had ik niet gekregen als ik altijd alleen maar roep dat banken grote zakkenvullers zijn.”

Volgens Hoogendoorn hebben zowel EY als de klanten van EY er begrip voor dat hij als hoogleraar een onafhankelijke mening verkondigt. „Ik ben kritisch over bepaalde regels en standaarden voor de jaarverslaggeving. Die mening maak ik openbaar, ook wanneer ik kan vermoeden dat klanten van EY het er niet mee eens zijn. Ik ben namelijk geen spreekbuis van EY. Ik heb twee functies, en die wil ik allebei gewetensvol vervullen.”

Ook hoogleraar Muel Kaptein is terughoudend met commentaar over een individueel geval. „Het maakt niet eens uit of het bedrijf klant is van KPMG of niet, als een journalist mij vraagt een mening te geven over een bedrijf dat in opspraak is geraakt, zeg ik altijd ‘nee’. Om iets zinnigs te kunnen zeggen moet je eerst gedegen onderzoek hebben gedaan – of je nu deeltijdhoogleraar bent, of niet.”