Ik dacht mezelf kapot

Mano Bouzamour (22) schreef een roman gebaseerd op zijn eigen leven. De belofte van Pisa gaat over een jongen die opgroeit in een Amsterdamse volksbuurt en tegelijk de enige Marokkaan is op een chic lyceum. „Mijn ouders zouden trots op me moeten zijn.”

Tekst Brigit Kooijman, foto Andreas Terlaak

Dagboek

„In vier havo won ik met een scholierenwedstrijd een ontwikkelingsreis naar Malawi. Mijn broer vond dat ik een dagboek moest bijhouden van wat ik daar meemaakte. ‘Kom op man', zei ik. ‘Ik ben geen mietje. Flikker op met je dagboek.’ Op Schiphol gaf hij er me toch een. Zo ben ik begonnen met schrijven. Een paar jaar eerder had ik Joris Luyendijk leren kennen op de Albert Cuyp. Ik herkende hem van Pauw & Witteman, en sprak hem aan. Hij antwoordde in vloeiend Arabisch. Na die ontmoeting hielden we contact. Ik vertelde hem over mijn leven, mijn besognes, het gedoe met mijn ouders die als Marokkaanse migranten totaal niet snapten waar ik mee bezig was. ‘Dat moet je opschrijven’, zei Joris. Na die reis naar Malawi besloot ik om de mouwen op te stropen. Ik dacht altijd dat ik in armoede was opgegroeid, omdat ik uit de onderste lagen van de samenleving kwam. Maar door de ellende die ik daar zag – honger, aids – zag ik hoeveel kansen ik eigenlijk had in Nederland, en dat ik ze moest opzoeken, opeisen.”

Chopin

„De eerste tijd heb ik me scheel gelezen, want ik wilde onder de knie krijgen hoe dat verhalen vertellen nu eigenlijk ging. Tsjechov, Salinger, Stephen King. Toen ging ik gewoon maar schrijven, schrijven, schrijven. Pathetische onzin in het begin, tot ik langzaam begon te snappen hoe het werkte. Ik heb vaak met mezelf in de knoop gezeten omdat ik niet wist hoe ik verder moest. Wie ben ik in godsnaam om een boek te willen schrijven? Ik dacht mezelf kapot. Dan ging ik ’s nachts op mijn scooter door Amsterdam rijden, over de pleinen en langs de grachten, luisterend naar klassieke muziek. Chopin is een beetje mijn held, net als van Sam, de hoofdpersoon in mijn boek.”

Fossielenbeurs

„Sam heeft een oudere broer die hem overal mee naar toe neemt. Naar het Concertgebouw, naar musea, het Anne Frankhuis. Ik heb ook zo’n broer, hij is elf jaar ouder dan ik en samen met mijn andere broers heeft hij mij in feite opgevoed. Hij is enorm nieuwsgierig van aard, overal in geïnteresseerd. Ik had geluk; de andere jongens uit de buurt kwamen nooit ergens, die hingen maar rond op het pleintje. Wij gingen zelfs een keer naar een fossielenbeurs in Zeeland, mijn broer verzamelde fossielen.”

Ouders

„Mijn vader en moeder hebben geen idee van mijn leven. Ze verstaan nauwelijks Nederlands en kunnen niet lezen. Mijn boek kunnen ze dus ook niet lezen, dat vind ik tragisch. Ze houden zich vast aan het geloof. Ze schrokken zo van de kritiek op mijn boek uit Marokkaans-islamitische kring dat ze mijn spullen op straat zetten en de sloten veranderden. Terwijl ze trots op mij zouden moeten zijn. Na publicatie van mijn boek kwamen mensen langs om mijn ouders te troosten, alsof er godverdomme iemand overleden was! Ik zou de islam beledigen, terwijl dat op geen enkele manier mijn bedoeling is. Als ik schrijf: ‘Allah had haar lichaam besprenkeld met moeder-vlekjes alsof Hij een cupcake voltooide’ is dat speels bedoeld. Ik wil mensen vermaken.

„Zelfs als ik schrijf over de Koranschool waar ik van mijn vierde tot mijn dertiende heen moest: een betonnen, vochtige kelder zonder ramen en zonder ventilatie, met tl-buizen verlicht, waar het vaak ging over het hellevuur, zeventig keer heter dan het vuur op aarde. Als je de Koranverzen niet geleerd had, werd je met een bamboestok op je handpalmen geslagen.”

Hervormd Lyceum Zuid

„Dankzij mijn broer ben ik op het Hervormd Lyceum Zuid terecht gekomen. Hij had een vriendinnetje dat daar op zat. Victorine in het boek, in werkelijkheid heette ze Marlies. Ik moest hem beloven dat ik verder zou komen dan hij. Zelf was hij na de mavo van school gegaan. Daarna ging hij samen met zijn vrienden verkeerde dingen doen, en werd uiteindelijk opgepakt door de politie, een paar maanden voor ik naar de brugklas ging. Drieënhalf jaar heeft hij gezeten, juist in de tijd dat ik hem het hardst nodig had. Op school was ik de enige Marokkaan. Het eerste jaar had ik moeite met aarden, totdat ik het spelletje doorkreeg. Ik heb het er uiteindelijk heel erg naar mijn zin gehad. Maar die eerste jaren, zo zonder mijn broer, waren niet leuk. Alles was ontwricht.”

Diamantbuurt

„Ik ging in die tijd ook naar het buurthuis Cinetol, in de Diamantbuurt, waar ik van mijn broer nooit mocht komen omdat de jongens daar een slechte invloed op mij zouden hebben. Er werd gedeald in van alles en nog wat, een straatcoach verkocht hasj. Het was kort nadat er veel rottigheid was geweest in de Diamantbuurt. Groepen Marokkaanse probleemjongeren hadden een echtpaar weggepest. Er is toen een hoop subsidiegeld uitgetrokken om hen van de straat te houden, maar dit was ook niet bevorderlijk. Ze zaten daar maar te blowen en naar geweldfilms te kijken. Er was een gast die me altijd vroeg of ik een pistool wilde kopen. Twee dikke jongens die de hele dag door fietsen stalen en verkochten noemden we ‘de fietsenmakers’; handige kerels met veel humor en zakelijk talent. Had ze een maatpak aangetrokken en ze zouden zo bij een bank hebben kunnen werken.”

Nikes

„Ooit boden twee Surinaamse jongens mij 5.000 euro. Het enige wat ik hoefde te doen was achter het stuur in een auto te zitten en te wachten tot zij terugkwamen. De verleiding is er dan wel om ja te zeggen, maar ik heb het niet gedaan. Waarom mijn broer wel in de misdaad is gegaan, begrijp ik nog steeds niet helemaal. Hij zegt dat het in een soort waas gebeurde, en om zich af te zetten omdat er niemand naar hem luisterde. Toen hij vrijkwam, clashte het tussen ons, voor het eerst. Hij stoorde zich aan mijn negatieve houding, aan mijn straattaal. Ik was capuchontruien en Nikes gaan dragen. Dan zei hij: ‘Vriend, trek eens normale kleren aan’. Nu delen we een woning samen en is hij weer net als vroeger mijn allerbeste maat.”

Gamma

„Toen ik het raamwerk voor mijn boek had uitgedokterd en dus wist hoe ik mijn verhaal moest vertellen, was ik zo blij en zo vrolijk en had ik enorm veel zin om al die scènes te gaan schrijven. Ik ging mezelf ook trainen. Als ik moest werken in de sushizaak – waar ik nu ook nog werk – terwijl ik eigenlijk wilde schrijven, ging ik de gelaatstrekken van mensen bestuderen en bedenken hoe ik die zou omschrijven. Of ik probeerde als er een klant binnenkwam te voorspellen hoe die zou praten. Op een gegeven moment werd de wereld een speeltuin voor mij. Als vroeger mijn broer vroeg of ik meeging naar de Gamma, zei ik: ‘Ga lekker zelf’. Nu vind ik het leuk, ik zie altijd wel dingen die me inspireren of die handig kunnen zijn voor een verhaal.”

Duiven

„In mijn boek zit aan het begin een scène over een oude man die op de brug bij de Jozef Israëlskade en de Scheldestraat duiven staat te voeren. Een duif wordt geschept door een auto en verpletterd. De oude man zingt een liedje voor de gestorven duif en scheurt vervolgens zijn vleugels eraf en propt ze in zijn jaszakken. Het is een belangrijke passage want het is, symbolisch, een voorafschaduwing van wat komen gaat. De dag nadat mijn boek klaar was, reed ik ’s ochtends vroeg naar de sportschool en zag ik op precies diezelfde brug een oude meneer met een rollator duiven voeren. Ik ben gestopt en moest gewoon huilen.”

Mano Bouzamour: De belofte van Pisa, Prometheus, 248 blz. € 15