Hoopvol verdwaald

Ontdek de schoonheid van het doelloos dolen. Waar een wil is, is geen weg.

tekst John Jansen van Galen

Overal waar ik in Nederland wandel, ben ik in de greep van een organisatie.” Het zijn woorden van schrijver en natuurkenner Koos van Zomeren. Hij doelt vooral op natuurbeheerorganisaties die je er via grote infoborden overal op wijzen hoe mooi ze de natuur hebben gemaakt en solliciteren naar je bijval voor hun inspanningen, maar het geldt ook in hoge mate voor het huidige wandelen. Na zonsondergang mag je van de beheerders geen bos meer in en het hele land is overdekt met een fijn vertakt netwerk van bewegwijzerde en uitgestippelde trajecten; er bestaan paden waarlangs de markeringen staan van drie, vier routes tegelijk.

Uit enquêtes blijkt dat veruit de meeste Nederlanders niet durven wandelen zonder gemarkeerde route: wij staan niet voor niks tweede op de wereldranglijst van verzekeringspremiebetalers. Maar wie wandelt als de volledig verzekerde cliënt van de verzorgingsstaat, mist de gevoelens uit de kindertijd die verdwalen veroorzaakt: eng maar ook spannend, angstaanjagend en tegelijk bevrijdend. Je staat er alleen voor, aan jezelf overgeleverd, eigen meester, niemands knecht.

In lezingen die ik ooit hield over ‘Nederland als wandelparadijs’ luidde een van mijn stellingen: ‘Je kunt in Nederland niet verdwalen’. Ik wees op de kleinschaligheid van het land, waardoor dorpen, bushaltes en pannenkoekhuizen steeds nabij zijn. En ik wees op de overvloedige wegwijzers en paddestoelen en, fijntjes, ook op mijn eigen puike oriëntatievermogen. Dat heb ik moeten bezuren, want daarna verdwaalde ik twee keer achter elkaar hopeloos in de Loonse en Drunense Duinen. Jawel, ik belandde in een dorp, maar in een ander dorp dan ik gewild had: niet Loon op Zand maar Distelberg, niet Drunen maar Kaatsheuvel, anderhalf uur lopen van elkaar verwijderd.

Ik had beter moeten weten. Zandverstuivingen zijn verraderlijk. De golvende zandwoestenijen, begrensd door eendere dennenbossen, waarachter nieuwe zandvlakten gapen, lijken overal op elkaar en als je niet uitkijkt vergaat het je als de legendarische schoolmeester van Kootwijk. Hij ging vroeg op pad om door de zandverstuiving naar Nijkerk te lopen. Na een uur had hij de spoorlijn Apeldoorn-Amersfoort moeten kruisen, maar die zag noch hoorde hij. Als hij het landschap om zich heen al kende, herkende hij het niet, want herfststormen veranderden ieder jaar het patroon van de zandduinen ingrijpend. Laat in de middag hoorde hij, allengs meer uitgeput, een haan kraaien. Hij er op af, en spoedig zag hij de contouren van een huis: het was zijn huis en zijn haan! De schoolmeester had de hele dag in een grote ronde gelopen. Dat is de natuurlijke neiging van iedere wandelaar die zich niet kan oriënteren, doordat onze rechtervoet een iets grotere pas maakt dan de linker. Die haan had op de nominatie gestaan geslacht te worden, maar mocht van de schoolmeester nu blijven leven.

Mosselbank

Verdwalen is niet alleen niet weten waar je bent, maar ook ergens terechtkomen waar je niet wilde zijn of waar je niet meer weg kunt. De wadlopers Frans Visser en zijn kornuit waren nog niet verdwaald toen ze een nacht lang op een mosselbank stonden, halverwege Texel en Vlieland. Ze zagen het eiland van hun bestemming liggen. Maar toen kwam de vloed op. „De mosselbank liep onder, de zee lichtte, de golven spoelden om onze benen. Het werd donker.” De twee meter lange stokken die veel wadlopers meedragen om de zeebodem te peilen plantten ze in de modder, op armlengte, om te voorkomen dat ze die in het duister kwijtraakten. Om niet onderkoeld te raken, trokken ze alles aan wat ze hadden en liepen rondjes om hun stokken. Later zagen ze vuurpijlen en zoeklichten, maar ze konden niet reageren, ze hadden geen zaklamp bij zich. Gelukkig steeg het water niet hoger dan tot hun heupen.

De nacht was lang. Als ze dachten dat er een uur voorbij was, zagen ze op hun horloge dat er pas vijf minuten verstreken waren. Ze vertelden elkaar verhalen en zongen. Na negen en een half uur verscheen een vaag licht aan de hemel en het water ging zakken. Maar ook kwam laaghangende mist op, de vuurtoren van Vlieland was niet meer te zien. Toen ze verder liepen en voor een ondoorwaadbare geul belandden die ze niet kenden en op de kaart niet vonden, waren ze echt verdwaald. Er zat niets anders op dan terug te gaan naar de mosselbank. Daar vond een gealarmeerde helikopter van de kustwacht hen.

Op het wad, in het hoge Noorden, kun je dus verdwalen, maar ook, in het diepe Zuiden, in mergelgrotten. In augustus 1993 werden Raimond (17) en Patrick (16), leerlingen van Huize Sint Joseph, een tehuis voor moeilijk opvoedbare jongeren bij Cadier en Keer, vermist. Na drie weken nam de politie in verband met aanhoudende geruchten een kijkje in de grot achter het internaat en vond hun lijken.

De jongens hadden de aantrekkingskracht van de Limburgse grotten niet kunnen weerstaan: een onderaards gangenstelsel, eindeloos vertakt! Maar er dreigt instortingsgevaar en wie er de weg niet weet verdwaalt. De meeste grotten zijn daarom afgesloten, maar vaak is in de muur waarmee de ingang is dichtgemetseld een opening uitgespaard voor vleermuizen, ook bij de grot achter het internaat. Waarschijnlijk waren de jongens hier doorheen gekropen. De politie vond later een zaklamp en sporen wezen uit dat ze in een kringetje hadden gelopen om hem terug te vinden. Daarna waren ze langs de wanden geschuifeld, speurend naar het vleermuizengat waardoor ze binnen waren gekomen. Raimond had het als eerste opgegeven en werd vierhonderd meter van de grotingang gevonden, in kleermakerszit, door uitdroging en kou omgekomen.

Vrij en onvervaard

Maar laat u niet afschrikken. Je kunt in Nederland weliswaar rampzalig verdwalen, maar buiten het Wad en de grotten ligt het niet voor de hand. Het loont de moeite om even niet aan de leiband van het overgereguleerde wandelwezen te lopen, maar vrij en onvervaard het risico tegemoet te gaan. Bewust verdwalen klinkt als tegenspraak in zichzelf, maar waar een wil is, is geen weg. Laat alle hulpmiddelen – kaarten, kompassen, telefoons – thuis, negeer paaltjes met gekleurde koppen, markeringen en logo’s van leuke wandelroutes. Kuier op goed geluk het bos in en de hei op en je bent gegarandeerd in een ommezien verdwaald. Dan beleef je de sensatie van de onbestemdheid en de opluchting dat niemand je bij de hand neemt en je voorschrijft hoe te wandelen.

Als je niet bij voorbaat al weet dat je er over drie kwartier zult zijn, voelt de herberg na een lange wandeling zoveel gastvrijer. Het bier smaakt zoveel beter als je er binnentreedt, vermoeid van een ongericht en bijna radeloos dwalen door onbekend gebied.

John Jansen van Galen, Waar een wil is, is geen weg, Verdwalen in Nederland, verschijnt komend voorjaar bij Atlas Contact.