Het geluk wacht niet achter de horizon

Geluk is vluchtig. Wie het al te fanatiek najaagt, loopt een grote kans ongelukkig te worden. Psycholoog Sonja Lyubomirsky schreef er een nieuw boek over: ‘De mythes van geluk’.

foto Dana Patrick

Voor wie hardnekkig probeert gelukkiger te worden, ligt de ultieme tevredenheid met het leven altijd in de toekomst. Als ik eerst maar... een leukere baan heb. Een ander huis. Meer geld. Mijn gezondheid terug. Een nieuwe partner. Überhaupt een partner. Een kind.

Maar waarom zou je daarop wachten? Je kunt ook nu een gelukkig leven leiden – in je huidige baan, zonder partner, na die nare diagnose, met weinig geld, in de laatste jaren van je leven, zonder kinderen. In haar nieuwe boek De mythes van geluk laat psycholoog Sonja Lyubomirsky (Universiteit van Californië, Riverside) zien dat neurotisch jagen op geluk juist kwetsbaar maakt. De kern is: wees niet bang voor je nachtmerries en jaag niet impulsief je dromen na. Aan goede dingen (banen, relaties, huizen) wennen mensen. De geluksneuroot wil dan wéér iets nieuws of extra’s en is ongelukkig zolang hij die droom niet heeft verwezenlijkt – terwijl die misschien nooit uitkomt. Lyubomirsky’s boek is een geluksboek dat aanbeveelt het eigen geluk niet te hard na te jagen (zie rechterpagina).

Neem het hoofdstuk ‘Ik ben gelukkig als... ik kinderen heb’. Dat gaat over de mythe van de roze wolk, de nadelen van kinderen hebben. Uit veel onderzoek blijkt dat mensen tijdelijk iets minder gelukkig worden, en minder tevreden met hun relatie, als ze kinderen hebben gekregen. ‘Kinderen zijn duur, vermoeiend, leveren stress op en putten je emotioneel uit’, schrijft Lyubomirsky nuchter. ‘Het mag duidelijk zijn’, steekt ze ontmoedigde jonge ouders een hart onder de riem, ‘dat je niet de enige bent die chagrijnig, geërgerd, woedend, moe of doodongerust wordt van het opvoeden van kinderen.’ Pas gelukkig kunnen zijn als je een kind hebt, is dus een waanidee, wil ze maar zeggen.

Zwanger

Wat niet wegneemt dat kinderen ook voor geluk kunnen zorgen. In de epiloog van ‘De mythes van geluk’ beschrijft Lyubomirsky dat ze een paar jaar geleden tot haar grote verrassing ontdekte dat ze weer zwanger was. Ze was 44, haar man 54 en hun andere kinderen Gabriella en Alexander 11 en 9, toen Isabella werd geboren. Lyubomirsky had nooit gedacht dat ze nog een kind zou krijgen. Dat zou haar hele leven op zijn kop zetten, was ze bang. En dat deed het ook, maar op een positievere manier dan ze dacht. Ze genoot van haar dochtertje en van de steun van haar oudere kinderen en collega’s; ze waardeerde de schaarse momenten alleen met haar man nóg meer. Lyubomirsky beschrijft de komst van Isabella als voorbeeld van de onverwachte kansen die het leven je toewerpt als je niet neurotisch op geluk jaagt of wacht.

Als ik contact zoek met Lyubomirsky om over haar boek te praten, natuurlijk vooral over kinderen en geluk, blijkt ze erg weinig tijd te hebben. Ze is opnieuw met ouderschapsverlof. „Isabella was zó geweldig”, vertelt ze aan de telefoon, „dat we besloten nog een kind te nemen, zodat ze een broertje of zusje zou hebben.” Ruim een half jaar geleden, Lyubomirsky was toen 46, is Olivia geboren. Het is een huis vol, zegt ze, maar: „Het voelt niet als vier kinderen hebben. Het voelt als twee kinderen met een jongere oom en tante, als je begrijpt wat ik bedoel.” Ze geniet er duidelijk enorm van.

Toen deze krant drie jaar geleden de stand van zaken in het onderzoek naar kinderen en geluk beschreef onder de kop (‘Kinderen maken je niet gelukkig’, 28 augustus 2010), lokte dat instemmende, maar toch voornamelijk verontwaardigde reacties uit. Hoe was dat dan wel niet gemeten? Dat stond in het artikel: In langlopend onderzoek was regelmatig aan mensen gevraagd hoe gelukkig ze met hun leven zijn; een deel kreeg kinderen, een ander deel niet. (Een experiment doen, waarbij je willekeurig geselecteerde mensen kinderen laat krijgen en de rest niet, kan natuurlijk niet). En dan blijkt dat ouders van jonge kinderen gemiddeld iets minder gelukkig zijn dan mensen zonder kinderen. Maar de intense ontroering dan, die kinderen teweeg kunnen brengen, briesten briefschrijvers. Het gevoel dat kinderen je karakter bijschaven, je leven grote en diepe betekenis geven? Was daar wel rekening mee gehouden?

Lyubomirsky kent de kritiek. Zij meende indertijd al dat er aan het vaststellen van geluk nog wel wat te verbeteren viel, omdat ouders het zo vaak hebben over de heel intense, maar vluchtige momenten van geluk met hun kinderen die zo moeilijk meetbaar zijn – sleur, vermoeidheid, stress en zorgen zijn veel gemakkelijker in onderzoek te ‘vangen’. Bovendien, zegt ze nu, zou je moeten onderzoeken onder welke omstandigheden ouders meer of minder geluk ervaren dan mensen die geen kinderen hebben. Dat hangt er onder meer van af hoe oud je kinderen zijn, hoe oud je zelf bent, of je een partner hebt, en een baan. „Mijn collega’s en ik hebben daar een artikel over geschreven”, zegt ze, „dat recenter is dan het boek.”

Dat overzichtsartikel, ‘The Pains and Pleasures of Parenting’ (binnenkort in Psychological Bulletin), somt die verschillende omstandigheden op – voor zover er onderzoek naar is. Vooral jonge ouders, blijkt dan, zijn een tijd minder gelukkig. Naarmate mensen ouder zijn als ze hun eerste kind krijgen, hebben ze minder last van bijvoorbeeld somberheid en gebrek aan zelfvertrouwen. En: vooral jonge kinderen kunnen hun ouders tot wanhoop drijven. Tegen de tijd dat de kinderen het huis uit zijn, stijgt het levensgeluk van de ouders weer. Zo zijn 60-plussers met kinderen bijvoorbeeld juist minder eenzaam en somber dan leeftijdgenoten zonder kinderen.

Moeilijke en/of zieke kinderen zorgen voor extra stress. Moeders die zeer intensief hun best doen om de perfecte opvoeder te zijn – die als hun kind nog in de wieg ligt al een universiteit uitzoeken – lijden onder hun perfectionisme. Vaders lijken sowieso meer van jonge thuiswonende kinderen te genieten dan moeders. En alleenstaande ouders hebben het moeilijker dan stellen – vooral de ouders bij wie de kinderen niet wonen, die hun kinderen moeten missen, vinden dat zwaar. Verder lijken mensen met een hoge sociaal-economische status gemiddeld minder geluk te ontlenen aan zorg voor de kinderen, al zijn er nog niet genoeg mensen met een laag inkomen onderzocht om daar definitieve conclusies uit te trekken. Sowieso, schrijven Lyubomirsky en collega’s, is er vrijwel alleen maar onderzoek gedaan in de westerse cultuur.

En het meten van geluk – die vluchtige mooie momenten? Inderdaad, schrijven de psychologen, ervaren jonge ouders meer positieve emoties, meer ‘geluksmomenten’ en meer betekenis in het leven dan kinderloze leeftijdgenoten, ook al zijn die kinderlozen over algemeen tevredener met hun leven als geheel en met hun relatie. De meeste ouders vinden die geluksmomenten en het gevoel dat kinderen hun leven zin geven belangrijk en belonend – 94 procent van de ouders zegt dat kinderen hebben de moeite waard is, ondanks wat het hun kost.

Zinvol

Dat roept de vraag op of het wel geluk is, tevredenheid met het leven in het algemeen, wat mensen zouden moeten nastreven – of gaat het in het leven om iets beters, iets hogers? Een zinvol, betekenisvol leven? De afgelopen jaren is er steeds meer kritiek gekomen op de ‘geluksindustrie’, het idee dat iedereen altijd gelukkig zou moeten zijn. De melancholie werd dan ook uitgebreid bejubeld, bijvoorbeeld in The New Black (2008) van Darian Leader, Against Happiness (2009) van Eric Wilson en The Antidote (2013) van Oliver Burkeman.

Ook Lyubomirsky is geen voorstander van overmatig geluk nastreven, zegt ze aan de telefoon. „Recent onderzoek laat zien dat als je geluk te véél nastreeft, als je de hele tijd bezig bent met ‘ik wil gelukkiger worden, ik wil gelukkiger worden’, dat het dan averechts werkt. Steeds maar denken ‘ben ik al gelukkig?’ – dat is net als de hele dag door op de weegschaal gaan staan als je op dieet bent. Dat moet je niet doen.”

Ze krijgt zelf een beetje de kriebels van zoiets als ‘dankbaarheidsbrieven schrijven’, een van de wetenschappelijk beproefde geluksstrategieën die ze beschrijft. Maar het is ook een kwestie van maat houden, zegt ze. „Je moet niet overdrijven, alles met mate. Denk aan Aristoteles’ ‘gulden midden’. En als iemand niet gelukkig wil zijn – ook prima! Ik vind niet dat we allemaal gelukkiger zouden moeten zijn.”

Weet je, voegt ze toe: „Het is grappig dat mensen denken dat alleen maar omdat ik onderzoek doe naar geluk, dat dat betekent dat ik wil dat iedereen gelukkiger wordt. Ik bedoel: als mensen gelukkiger willen worden, geweldig. Maar als ze dat niet willen, bijvoorbeeld omdat ze denken dat zij dan de wereld op een meer realistische manier zien, dan sta ik daar neutraal tegenover. Ik ben meer geïnteresseerd in hoe geluk wérkt, in de wetenschap erachter. Het is eigenlijk een soort extraatje dat mensen de resultaten van mijn onderzoek ook kunnen gebruiken.”