‘Het bedrijfsleven minacht de politiek’

Als een pater familias waakt Mick den Boogert over het beursgenoteerde bedrijfsleven in Nederland: „We mogen best wat trotser zijn op onze bedrijven.”

Mick den Boogert in zijn flat in Haarlem: „In Nederland lijkt alles te koop. Hier worden zelfs de kroonjuwelen verkocht, als de prijs maar hoog genoeg is.” Foto Roger Cremers

Mick den Boogert is de beschermheer van het beursgenoteerde bedrijfsleven in Nederland. Hij waakt ervoor dat de lampen van Philips, de vitaminepillen van DSM, de navigatiekastjes van TomTom en de chipmachines van ASML niet door een vijandelijk bod in buitenlandse handen komen. Of door een machtsgreep in ‘verkeerde’ handen komen.

Behalve de grootste aanbieder van kabeltelevisie in Nederland, Ziggo, hebben alle AEX-bedrijven – de 25 grootste bedrijven van de Amsterdams effectenbeurs – daarvoor een beschermingsconstructie. Vaak hebben ze een stichting.

In tien van deze stichtingen zit Mick den Boogert, oud-advocaat en oud-hoogleraar effectenrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Met succes wist de beschermingsstichting van KPN onlangs een vijandige overname door het Mexicaanse América Móvil te voorkomen. „Het is een schoolvoorbeeld van de tussenkomst van een beschermstichting”, zegt Den Boogert in de bibliotheek van zijn flat aan het Spaarne in Haarlem. „Het was een vijandig bod en de stichting heeft orde geschapen in een zeer onordelijk proces. Dat hebben we, gezien ook de reacties van institutionele beleggers en de Vereniging van Effectenbezitters, goed gedaan.”

De jurist is niet onder de indruk van de kritiek van América Móvil, die het optreden van de beschermingsstichting typeert als „obstructie”. „Dat is precies wat we hebben beoogd, en daar hebben we een legitimatie voor.” Bij de privatisering van KPN in 1994 is de stichting in het leven geroepen om de belangen van het voormalige staatsbedrijf te waarborgen.

„In Nederland lijkt alles te koop – in tegenstelling tot in het buitenland”, zegt Den Boogert. Volgens hem heeft dat te maken met een gebrek aan ‘oranjegevoel’ en worden zelfs de kroonjuwelen verkocht „als de prijs maar hoog genoeg is”. Den Boogert: „Wij hebben geen traditie waarbij men trots is op de nationale industrieën. Schouderophalend wordt voorbijgegaan aan het industriële verleden. We mogen best wat trotser zijn op ons bedrijfsleven. ASML bijvoorbeeld is toch een parel van de Nederlandse industrie. de tweede exporteur van het land. Maar hou een enquête op straat en weinigen weten wat het bedrijf produceert. Dat heeft ook te maken met het openbaar bestuur dat het bedrijfsleven als enigszins suspect behandelt. Dan kun je niet verwachten dat er veel waardering is bij het publiek.”

Een beschermingsstichting heeft „veel macht” erkent Den Boogert. De behoefte aan bescherming is zo’n eeuw geleden ontstaan, toen steeds meer Nederlandse entrepreneurs in het buitenland gingen ondernemen. Den Boogert: „Door de mondialisering van de financiële markten – en de toenemende macht van het kapitaal – ontstonden de beschermingsstichtingen. De essentie is dat je niet willoos bent overgeleverd aan de vrije kracht van de financiële markten. Een beschermingsstichting biedt tegenwicht.”

De leden praten een paar keer per jaar met het bestuur van een onderneming en de voorzitter van de raad van commissarissen. „De stichtingsbesturen zijn echte insiders”, zegt Den Boogert „vertrouwelijke en koersgevoelige informatie wordt gedeeld. Daarna trek je je eigen plan, want we zijn onafhankelijk.”

Tien beheerstichtingen en evenzoveel daaraan gelieerde nevenfuncties. U weet alles van het Nederlandse bedrijfsleven.

„Ik ken het grote bedrijfsleven goed, dat is een bewuste keuze. In 1999 heb ik de maatschap [advocatenkantoor Loeff Claeys Verbeke, red.] verlaten, ik wilde meer inhoudelijk met het vak bezig zijn en minder organisatorisch. Door mijn onafhankelijke positie kwam ik in veel beschermingstichtingen. Bij de grote kantoren zit veel kennis, maar die willen zich vaak niet committeren aan een stichting en de handen vrij houden.”

U bent advocaat geweest. Stel América Móvil had u ingehuurd, wat zou uw advies zijn geweest?

„Ze hebben het overnametraject niet handig aangepakt. Te ruw en te weinig rekening gehouden met de Nederlandse mores, dat is zakelijk niet handig. Dat ligt gevoelig bij een overname, die kan daarop afketsen.”

Is de overname van de baan? Het is niet uit te sluiten dat América Móvil na zes maanden – de wettelijk verplichte rustperiode – met een nieuw bod komt. KPN blijft een interessante overnamekandidaat.

„Voor de goede orde: América Móvil heeft nooit een officieel bod gedaan. Wellicht is dat niet uitgebracht omdat zich een bijzondere investeringsmogelijkheid voordeed in Brazilië. Daar zou de dochter van Telecom Italië op de markt komen. Strategisch heel belangrijk. Én KPN én deze Braziliaanse investeringsmogelijkheid was wellicht iets teveel. Het is niet onaannemelijk dat dat de reden is geweest.”

U hebt veel te maken met bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen. Welke ontwikkeling hebt u gezien?

„Tot en met het begin van de jaren negentig zag de bestuurder de aandeelhouder niet staan. Een van de bestuurders van ABN Amro zei ooit raillerend ‘Aandeelhouders, wie zijn dat? Niks mee te maken.’ Aandeelhouders investeren hun geld in een onderneming en die gaat ermee aan de slag. Als dat niet bevalt ga je maar weg.

„Onder invloed van de mondialisering is dat veranderd. Door de moderne techniek kun je 24 uur per dag handelen in de hoofdfondsen. Dat heeft tot gevolg dat de aandelen van Nederlandse ondernemingen bij buitenlandse investeerders en beleggers zijn terechtgekomen.”

En die zijn kritischer?

„Die hebben een andere visie op de rol van aandeelhouders. Veel professioneler. De traditionele Nederlandse beleggers in Nederlandse ondernemingen waren relatief passief. De buitenlandse aandeelhouders eisen meer aandacht. De bestuursvoorzitter en de financiële bestuurders zijn nu veel meer tijd kwijt aan het managen van hun relaties met aandeelhouders. Bij grote investeerders gaat het er stevig aan toe in de zogenoemde one on ones.”

En de Nederlandse institutionele belegger?

„In de jaren zeventig en tachtig was er een onevenwichtige toestand. De aandelen van de grote beursfondsen waren toen in handen van Nederlandse institutionele beleggers. Die maakten geen gebruik van hun zeggenschapsrechten omdat zij tegenstrijdige belangen hadden. Het beursfonds was ook klant van de bank of verzekeringsmaatschappij die bijvoorbeeld kredieten verstrekte of het pensioenfonds beheerde. De besturen van Nederlandse beursfondsen waren zelfgenoegzaam en te weinig gespitst op het belang van de aandeelhouders.

„Met het opengaan van de grenzen lijkt het wel alsof de Nederlandse institutionele beleggers geen belangstelling meer hebben voor de Nederlandse bedrijven. Ik vind dat ze te weinig investeren in Nederland. De pensioenfondsen ABP en PGGM maken deel uit van de Nederlandse sociale structuur. Daar is hun lot mee verbonden, dan vind ik het ook logisch dat ze een meer prominente rol spelen in het Nederlandse bedrijfsleven.”

De argumentatie is dan altijd: wij gaan voor het optimale beleggingsresultaat.

„De vraag is of de pensioentrekkers dat eisen. Ik heb de indruk van niet. Zij hebben trouwens nooit de kans om zich daarover uit te spreken, maar ik heb de indruk dat ze het helemaal niet raar zouden vinden wanneer hun pensioenfonds meer zou investeren in Nederland. Meer werkgelegenheid in Nederland en een iets lager rendement – ik denk dat veel mensen die hun geld bij ABP en PGGM hebben staan daar heel gelukkig van zouden worden.”

Hoe groot zou dat aandeel moeten zijn: 1, 5, 10, 20, 30, 50 procent?

„Ik zou 20 procent mooi vinden.”

Het kabinet probeert de pensioenfondsen over te halen meer te investeren in de Nederlandse economie.

„Ja, maar ik heb de indruk dat de pensioenfondsen niet over de streep worden getrokken met het argument ‘vaderlandsliefde’. Ze hebben alleen maar oog voor de beleggingsresultaten, want eventuele extra risico’s moeten weer worden gecompenseerd met overheidsgaranties.”

Overheid en bedrijfsleven, het blijft een moeizame verhouding.

„De verhouding tussen overheid en bedrijfsleven is geen hartelijke. Het zijn twee verschillende werelden en er vindt te weinig uitwisseling plaats. Een baan in het openbaar bestuur lijkt wel een baan voor het leven. De overstap naar het bedrijfsleven komt nauwelijks voor.

„Men spreekt elkaars taal niet en ik bespeur bij het bedrijfsleven een dedain over de politiek, en in het openbaar bestuur denkt men dat er in het bedrijfsleven alleen maar zakkenvullers rondlopen die alleen geïnteresseerd zijn in hun bonus. In Nederland heerst over en weer wantrouwen. Dat staat een goed begrip van elkaars problemen in de weg.”

Zorgelijk?

„We mishandelen onze democratie. De doelstelling van goed openbaar bestuur – politiek is een instrument om te komen tot een behoorlijk openbaar bestuur – is ondergesneeuwd door kortetermijngewin, vliegen afvangen, beeldvorming. Politici zijn de hele dag bezig met de vraag ‘hoe kom ik aan tafel bij Pauw & Witteman’. Een politiek stelsel zou moeten zijn gefundeerd op het wekken van vertrouwen, en ik signaleer alleen maar wantrouwen.”

En wat zijn de gevolgen van dat wantrouwen voor het ondernemingsklimaat?

„Ondernemers worden afwachtend. Men is onzeker met betrekking tot het beleid en het vermogen van het openbaar bestuur om dat beleid uit te voeren. De macht is te veel verbrokkeld. Met veel politiek kunst- en vliegwerk worden met behulp van oppositiepartijen akkoorden in elkaar geknutseld. De houdbaarheid laat zich voorspellen. Het politieke landschap is te versnipperd.”