Groentepaniek

Foto Annaleen Louwes

Het was een fascinerend schouwspel tijdens een diner. Terwijl de volwassenen al pratend eten in hun mond staken, was een kind aan de andere kant van de tafel stilletjes bezig om alles met een groene kleur naar de rand van haar bord te werken.

Groen was vies.

De ouders kregen het gedrag niet veranderd, vertelden ze later. Ze hadden thuis van alles geprobeerd om hun kind aan het groen te krijgen. Veel appelmoes door de groente roeren, al het eten in de blender vermalen tot een troosteloos papje. Een lepel groente als een treintje op weg naar de mond sturen. Het tunneltje bleef gesloten.

Hun kind wilde eenvoudigweg geen groente eten.

Ik kan het kinderen niet kwalijk nemen. Groenten doen mij ook niet rechtop veren. Op een bord kijk ik altijd eerst naar het vlees of de vis. Groente, dat krijg je erbij, het is voor mij eerder een noodzakelijk kwaad dan een lekkernij. Het wordt me aan tafel niet altijd in dank afgenomen.

In de race om zo gezond mogelijk te leven, is groente steeds belangrijker geworden. Groente is een must, ieder etmaal weer; zonder een dagelijkse portie gaan lichaam en geest naar de maan. Je weerstand vermindert, je haar valt uit, je tanden worden geel, je darmen protesteren, je humeur zakt onder nul, in bed ben je niets meer waard en je hersens kunnen de digitale impulsen niet meer bijhouden.

Begrijp me goed, ik vind groente niet per se vies, ik heb het – o cliché – ‘leren eten’. Maar waar ik vis, vlees of fruit zonder enige toevoeging al smakelijk vind, gaat rauwe groente pas voorbij de huig als de olijfolie en de balsamico eroverheen gesprenkeld is.

Natuurlijk wil ik mee met de tijd, met de veranderende blik op voeding. Ik hoef geen dampende prak uit de jaren zeventig met een kuiltje vol vette jus. Hoewel, bij de herinnering aan zo’n vol bord na een voetbaltraining, loopt het water me nu toch weer in de mond.

Als ik bij de groenteboer sta, raak ik al in paniek als ik al die kratten vol zie liggen. De man achter de toonbank vraagt wat hij op de weegschaal moet leggen en ik weet het niet.

Andijvie. Vies. Bloemkool. Bah. Sla. Mwah. Witlof. Bitter. Bonen. Moet er niet aan denken. Postelein. Glibberspul.

Ik maak graag een uitzondering voor een verse avocado; zwartig van buiten, sappig van binnen. Dat zal te maken hebben met het hoge vetgehalte. Een avocado lepel ik in hoog tempo leeg – het liefst staand in de keuken – met alleen een beetje peper en zout erop.

Intussen laten de groenfanaten geen dag onbenut om hun lievelingseten aan te prijzen. Glossy tijdschriften en kookboeken staan vol met studiofoto’s van groenten. Een knapperig blaadje gekrulde sla met glinsterende condens erop, het is je reinste porno.

Ik weet beter. Laat zo’n ogenschijnlijk fris slablad een paar uur buiten de koelkast liggen; wat overblijft is een zielig, slap velletje waar ieder leven uit vertrokken is.

Het groene ochtendrankje is ook in opkomst. Geen glas melk en een paar bruine boterhammen meer. Nee, een modern mens heeft genoeg aan een paar slokken geperst gras. Ik heb het één keer geprobeerd: het was of ik de zojuist gemaaide sprieten van mijn achtertuin naar binnen goot.

Bij een moot vis moet ik denken aan de zee, bij fruit aan bomen en frisse lucht. Ligt er goed vlees op mijn tong, dan bespeur ik opwinding.

Als ik groente proef – vooral rauwe – denk ik aan grond. Aan kluiten met nare wortels. Aan zand tussen mijn tanden.

Groente komt van de plek, waar we zelf uiteindelijk in gaan eindigen. Een hapje met de smaak van aarde. Ik wil er tijdens een levenslustig diner gewoon niet aan denken.