Geen oud thuis, geen nieuw thuis

Als tweede-generatie Australiër en door zijn homoseksualiteit voelt romanschrijver Christos Tsiolkas zich een buitenstaander. ‘Mijn boeken zijn één groot work in progress over de vraag waar je thuishoort.’

Hij is een wog, zegt Christos Tsiolkas. Wog, bruinjoekel. Als in: smerige wog, ga terug naar je eigen rotland. Dat hebben zijn ouders nog horen zeggen, die in de jaren vijftig van het Griekse platteland naar Australië emigreerden. Italianen, Libanezen, Serviërs, Grieken – allemaal wogs.

Maar wog is ook een perfect voorbeeld van hoe geschiedenis de taal verandert, zegt Tsiolkas (1965). „In de jaren tachtig begon er iets te schuiven. Het idee dat je ergens anders vandaan kwam kreeg een positievere klank. De tijd van hiphop. Wog werd een geuzennaam, iets om trots op te zijn. Mijn Indiase, Chinese, Joegoslavische en Italiaanse vrienden en ik noemden onszelf wogs. Om ons te onderscheiden van de white anglos, de oude Australische elite met Britse of Ierse roots. Wij noemden ze skips – van Skippy the Bush Kangaroo.

„Maar in Engeland is ‘wog’ nog steeds een racistisch scheldwoord en mijn Griekse achtergrond is daar juist weer geen onderscheidend kenmerk. Toen mijn boek The Slap daar uitkwam, deed ik een interview bij de BBC, en toen ik ‘wog’ zei, werd ik afgebroken. Dat was een lesje over culturele scheidslijnen.

„Je middelvinger opsteken naar het Europese klassensysteem, de scherpte en het zuigende van Australische humor – dat gaat ver terug. Australië is nu eenmaal politiek incorrect.”

Over zijn wog-jaren schreef Christos Tsiolkas in 1995 zijn debuutroman, Loaded, waarin hij een extreem wild etmaal vol drugs, drank en seks optrekt met Ari – een jonge homo, woedend op het conformisme, op zijn ouders, op de Australische samenleving. En op zichzelf.

„Als kind dat opgroeit in een Griekse cultuur lieg je de hele tijd”, zegt hij nu. „Tegen je Griekse vrienden, want ze zijn bang dat je een Australiër wordt. Zelfs als je even met een meisje praat, zijn ze bang dat je met haar trouwt en uit hun leven verdwijnt. Het schuldgevoel daarover wordt een deel van je. Ik kom uit een schaamtecultuur; wat zullen de mensen zeggen? De woede daarover is al heel lang bij me. Dat waren de grootste gevechten die ik met mijn familie heb gevoerd.”

De roman waarmee hij in 2008 internationaal doorbrak was The Slap, in Nederland twee jaar later verschenen als De Klap. Het boek kreeg de Commonwealth Writers Prize, kwam terecht op de longlist van de Booker, en is bewerkt voor televisie.

Het begint met een barbecue in een tuin van een buitenwijk in Melbourne – een bont vriendengezelschap van Britse Australiërs, eerste- en tweede-generatie Grieken, hippies en white trash, een Indiase, een Aboriginal. Daar geeft iemand het (vervelende) kind van een ander een klap. Corrigerende tik, reflex, doelbewuste mishandeling? Dat hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt, en dat is voor iedereen anders, blijkt uit de acht personages door wie Tsiolkas het verhaal laat vertellen, en dat uitmondt in acht levensverhalen.

Neighbours, de Australische soap, maar dan geschreven door Philip Roth, zei The Sunday Times. Nederland zag een parallel met Het Diner van Herman Koch, waar ook comfortabele middenklasselevens door een moreel dilemma op de helling gaan.

The Slap is gebaseerd op een echte klap. Tsiolkas’ Griekse moeder gaf ooit het kind van een ander een tik, waarna het kind haar tot haar stomme verbazing toebeet: „Niemand heeft het recht mijn lichaam zonder mijn toestemming aan te raken.”

Dat incident werd destijds weggelachen. Maar het zette Tsiolkas aan het denken over de vraag hoe etnische groepen en generaties in het moderne Australië samenleven. Wat schuilt er onder alle liberale principes, multiculturele tolerantie en huwelijkse trouw? In de roman dagen de blanke hippieouders van het geslagen kind, ‘dader’ Harry voor de rechter. Harry, een zakenman, heeft Griekse ouders en is een platte seksist. Maar de andere Grieken op het feestje kiezen partij voor hun neef. Het ogenschijnlijke modelechtpaar Hector en Aisha dat de barbecue organiseert – hij Grieks, zij een Indiase – moet ook kiezen, en niet alleen in deze kwestie.

Kopenhagen

Ik spreek Tsiolkas in een café in Kopenhagen. Op de achtergrond sist de espressomachine en zingt Regina Spektor. I’ll come back when you call me/ No need to say goodbye. Na een intensieve periode heeft hij nu even vrij, zegt Tsiolkas. Zijn nieuwste roman, Barracuda, zal over een paar weken uitkomen. Hij is met zijn vriend, Wayne, op vakantie geweest in Zweden. En met studenten in Århus heeft hij gediscussieerd over Australische literatuur, die van anderen en zijn eigen boeken. En uiteraard over zijn allesdoordringende thema.

„Mijn boeken zijn één groot work in progress over de vraag waar je thuishoort. Toen ik net begon te schrijven, toen ik een jaar of twintig was, zou ik iets anders hebben gezegd. Omdat die vroege jaren zo werden gedomineerd door de vraag ‘Ben je Grieks of ben je een Australiër?’, was er helemaal geen plek waar ik me thuis voelde.

„Het kwam ook doordat ik me al vroeg realiseerde dat ik homo was. Ik geloof niet dat ik het onder woorden bracht, maar vanaf een jaar of acht, negen wist ik dat ik seksueel aangetrokken werd door mannen. Dat was nog een reden dat ik me buitenstaander voelde, buiten de cultuur stond.

„En toen, achteraf gezien onvermijdelijk, dacht ik: ik ga naar this place called Europe, deze magische plek, om daar een gevoel van samenhang te vinden. Maar ook daar is het niet gelukt.”

Tsiolkas ziet zijn eerste drie boeken – Loaded (1995), The Jesus Man (1999) en Dead Europe (2005) – als een trilogie over het verlies van geloof. Niet in religieuze zin, maar geloof als ‘alles waarin je gelooft’. Dead Europe drijft dat op de spits. Hij moest het hoofdstuk Europa sluiten, zegt hij.

Het is een beklemmend, steeds zwarter boek, over een fotograaf die door het oude en nieuwe Europa reist, terwijl op zijn foto’s op onverklaarbare wijze steeds een Joodse jongen opduikt die al lang is gestorven in een Grieks boerendorp. Antonioni’s Blow-Up! plus The Omen. Dead Europe geeft geen lucht, er is geen hoop, voor niemand.

In het boek neemt Tsiolkas drie keer afscheid, zegt hij. „Ten eerste gaat het over het sterven van de boerenstand, waartoe mijn ouders behoorden. Als die verdwijnt, verdwijnen mijn wortels, en dat snijdt me af van Europa. Het gaat over de dood van het communisme, wat me ook afsnijdt van Europa, omdat het de politiek is die me lang heeft beïnvloed. En ten derde verkent het de oorzaken van het antisemitisme. Want dat was het eerste racisme dat ik zag. Het was iets fundamenteels in mijn jeugd, niet alleen onder Grieken, maar ook onder andere mensen uit de Balkan. Het was een vreselijk moeilijk boek, maar ik moest het proberen.”

Na de „overmoed” waarmee hij zich zeven jaar aan Dead Europe wijdde, werd hij „veel nederiger”, zegt hij. „Ik wilde nog steeds zo goed mogelijk schrijven, mijn vakmanschap verbeteren, maar ik had geen groot plan meer in mijn kop. Het enige idee dat ik had, was dat de middenklasse in Australië is veranderd door het multiculturalisme. En ik wilde me verdiepen in personages. Zo is The Slap ontstaan.”

Tsiolkas zegt dat 2012 een belangrijk jaar was voor hem en zijn partner, Wayne van der Stelt, met wie hij samen is sinds ze dertig jaar geleden kamergenoten werden op de universiteit van Melbourne. Tsiolkas’ vader stierf dit voorjaar, Wayne verloor zijn vader kort daarvoor. „Ze hebben allebei een lang en veilig leven gehad en daar waren ze dankbaar voor. Mijn vader was 83. Toch is het een schok. Als je een ouder verliest, voel je je pas werkelijk volwassen”, zegt hij.

Wayne’s vader kwam uit een Brabantse boerenfamilie en vertrok net als Tsiolkas’ vader in de jaren vijftig naar Australië. Dat ze allebei uit Europa kwamen betekende minder voor ze dan de gedeelde ervaring van het emigreren, en arbeider worden en kinderen opvoeden in een nieuw land. Het is een cliché dat internet en intercontinentaal vliegen de betekenis van afstand hebben veranderd, zegt hij, „maar voor de generatie van onze ouders was het idee van een reis terug naar Europa bijna onvoorstelbaar”.

Toch zijn beide vaders elk nog eens terug geweest. Maar ze ontdekten al snel dat ze niets meer te zoeken hadden in hun vaderland. „In 1974 ging mijn vader terug toen zijn papou, mijn grootvader, was gestorven. Hij was er niet geweest sinds 1955, kort na de Griekse burgeroorlog. In 1974 was het opnieuw een vreselijke tijd onder het kolonelsregime. Hij gaf nog wel ontzettend veel om zijn familie daar, maar voor de rest was het altijd: fuck Greece! ‘Griekenland eet altijd zijn eigen kinderen op’ – dat was een van de laatste dingen die hij me zei voor hij stierf.

„Mijn moeder, die jaren in Athene heeft gewoond, hield van de stad. Daar had ze het vaak over. In mei van dit jaar heb ik haar meegenomen naar Griekenland. Ze was er 22 jaar niet geweest. En nu was het wéér crisis. De jeugd in Griekenland voert precies dezelfde gesprekken als die wij voerden voor we vertrokken, zei ze. Waar moet ik heen? Waar vind ik een baan? Dat maakte haar erg van streek.”

Kleinkinderen

Veel emigranten delen de ervaring dat ze nooit ergens meer rotsvast bijhoren. Geen oud thuis meer, en geen echt nieuw thuis. Tsiolkas’ vader was er trots op een Australiër te zijn geworden, maar hij bleef een Griek. Hij kon nog terug, in elk geval in theorie. „Maar het is me opgevallen dat kleinkinderen de relatie met het land van herkomst echt anders maken”, zegt Tsiolkas. „Voor ons als tweede generatie hadden ze altijd nog het idee dat we net zo konden worden als zij. Maar toen de kleinkinderen kwamen – de dochters van mijn broer – veranderde er iets fundamenteels. Want die kleinkinderen zullen nooit Grieken worden. Daardoor hebben mijn ouders zich gerealiseerd dat ze niet terug konden naar dat verleden, en dat ze – for better or worse – de juiste beslissing hadden genomen door te emigreren.

„Daar komt bij dat mijn schoonzuster Iers is, waardoor dat onverdund Griekse er sowieso niet meer is.”

Heeft de angry young man ook rust gevonden?

„Als je op middelbare leeftijd komt, ontdek je dat je op allerlei manieren vaker compromissen moet sluiten in plaats van voortdurend je principes te bevechten. Dat begrijp ik, en het is een van de dingen die ik in The Slap wilde laten zien. Wat me niet bevalt is zelfgenoegzaamheid. Een hybride auto kopen en neerkijken op iemand die in een buitenwijk een McMansion bouwt. Maar diezelfde mensen stappen wel drie of vier keer per jaar in het vliegtuig voor een vakantie aan de andere kant van de wereld. Dat noem ik hypocriet.”

In die categorie valt ook zijn bezoek, op deze reis, aan het Nobelprijsmuseum in Stockholm, zegt hij. „Het was de Europese, liberale, veilige bourgeoisie, verenigd in schijnheilige masturbatie. Kijk eens hoe nobel wij zijn! Op de tentoonstelling spreken ze je belerend toe over je ecologische voetafdruk, terwijl je op een video even later diezelfde mensen in vlinderdassen aan eindeloze dinertafels ziet zitten.”

Maar meteen heeft hij een beetje spijt van die uitval. Hij is nu eenmaal gefascineerd door het verschil tussen wat we denken en wat we doen, zegt hij. „Misschien ook omdat ik daarmee zelf worstel sinds mijn jeugd. Het is de wilde agressie die ik moest leren beheersen. Ik schaam me soms ook over mijn eigen gedrag en ervaringen, maar ik wil er niet om veroordeeld worden. Dat betekent ook dat ik anderen niet zou moeten veroordelen.”

Geldt dat ook voor uw personages?

„Ik heb meer sympathie voor ieder van mijn personages dan veel van de lezers die naar me toe komen. I fucking hate that question: ‘Waarom zijn uw personages niet likeable?’

„Geen van de boeken die je werkelijk raken hebben aardige personages, want ze zijn niet moreel zwart-wit. Net als echte mensen. Het zijn complexe, feilbare, menselijke karakters, en het lijkt me dat kunstenaars die wereld moeten laten zien.

„Juist daarom heb ik The Slap niet vanuit één standpunt geschreven. Als je jezelf in de positie van iemand anders verplaatst, verandert alles. Neem het huwelijk van Hector en Aisha. Ik heb zelf een lange relatie, al 29 jaar, dus ik weet iets van de compromissen, de basis van liefde, de dingen die je doet waarvoor je je schaamt, de naaktheid van jezelf voor je partner en die je niet hebt met iemand anders, en dat je je soms verachtelijk gedraagt. Dus ik snap wat een huwelijk betekent. Ik snap de man en ook de vrouw.”

Daarbij hoort vanaf het begin ook seks, waarover hij zowel rauw als teder kan schrijven, wat niet hetzelfde is als rauwe of tedere seks. Hetzelfde doet hij trouwens met drugs.

Niet iedereen loopt weg met zijn stijl. Al twee keer is een van zijn scènes genomineerd voor de Bad Sex Award, een enigszins gniffelende competitie van het Britse tijdschrift Literary Review. De eerste keer – voor een lugubere cunnilingus in Dead Europe – verweet het blad hem stilistisch te veel zijn best te doen. En de tweede keer was het juist weer te weinig. Dat was voor een zin in The Slap waarin hij schreef dat Hector en Aisha „fucked for ages”. „Lui schrijven”, zei een van de juryleden. Het was ook een beetje lui citeren, want de hele passage is veel langer en gaat over meer dan seks alleen. De betreffende zin – in de vertaling van De Klap – gaat zo. ‘Op deze manier staand, zij met haar rok in een hoopje rond haar enkels, hij met zijn spijkerbroek rond zijn knieën en met een stijve die niet verslapte dankzij de speed, waardoor hij ook het orgasme kon uitstellen, neukten ze eindeloos kreunend door.’

Tsiolkas was niet van de kritiek onder de indruk. „Sommige van mijn favoriete schrijvers – Roth, Mailer, Updike – zijn voor die prijs genomineerd en hebben hem zelfs gewonnen”, zei hij destijds. „Dus ik bevind me in goed gezelschap. Het is geen toeval dat het allemaal Amerikanen zijn. Ik denk dat de Britse roman aan politieke correctheid te gronde gaat.”

Hij herhaalt het in Kopenhagen. „Ik wil dat zulke scènes als het ware inwendig worden. Zodat je ze bijna lichamelijk ervaart. Soms kom je een nieuwe auteur tegen waarvan je denkt, dit is waarom ik van lezen hou. Dat kan nog steeds gebeuren. Maar ik ben nu eenmaal het product van de boeken die ik las toen ik volwassen werd, Amerikaanse schrijvers van halverwege de twintigste eeuw. Zij hadden zo’n lichamelijke, rauwe punch. Je voelde wat je las. Daar keer ik steeds naar terug.”

Of hij zich met zijn voorbeelden kan meten is geen vraag meer. „Ja, ik wil een groot schrijver zijn”, zegt hij, maar „die ambitie is tegelijkertijd krankzinnig.” Want „een Joyce of een Kafka komen maar eens per eeuw voorbij”.

Er zijn nu voortdurend twee stemmen in zijn hoofd, zegt Tsiolkas. „De ene pepert je in dat je waardeloos bent, en nep. En de andere zegt tegen je dat je af en toe wel degelijk geniaal bent. Het verstandigste is om allebei die stemmen maar te negeren. Ook dat besef komt met de middelbare leeftijd.”

Thuis

Christos Tsiolkas moet lachen als hij hoort wat de aanleiding is voor dit interview. Een verzoek van de Brits-Israëlische kok en kookschrijver Yotam Ottolenghi, die als gastredacteur van deze DeLUXE de inhoud mocht bepalen. Op de vraag waarom zijn keus op Tsiolkas was gevallen zei hij alleen: ‘I like him as a writer’.

Ik lees Tsiolkas een citaat voor uit een van Ottolenghi’s kookboeken. Dat het onmogelijk is om tijdens het koken niet aan thuis te denken. „We still think of Jerusalem as our home”, schrijft Ottolenghi. „Niet als een plek waar je naar terugkeert, en zelfs bijna terwijl je het niet wil. Het is ons thuis omdat het ons definieert, of we het nu willen of niet.”

„Met Joden kun je het beste praten over belonging,” zegt Tsiolkas. „Want de Joden voeren zulke gesprekken het langst van iedereen.” Koken is ook „een manier om je talent uit te drukken”, zegt hij, „maar het is niet mijn talent” – al is hij de laatste tien jaar wel meer gaan koken, en is zijn keuken ook „een plek voor meditatie” geworden. Wat hij kookt? „Veel Grieks en Australisch, en meestal een mengsel van allebei”, lacht hij. „Maar als ik Grieks kook denk ik altijd: het is niet zo goed als mijn moeder het deed.”

The Slap heeft goed verkocht: meer dan 300.000 exemplaren in Australië en 1,2 miljoen daarbuiten. Het stelt hem in staat meer te reizen. Hij heeft 48 neven in Griekenland. Met een nieuw boek op komst heeft hij nu sowieso meer zin in lezen dan schrijven. De accu’s opladen. Zijn nieuwe roman, Barracuda, gaat opnieuw over je thuisvoelen. De hoofdpersoon is een homoseksuele Grieks-Australische jongen die zwemkampioen wil worden. Tsiolkas weet al dat zijn volgende boek in de klassieke oudheid speelt. „Ik dacht”, zegt hij, „ik moet nog verder terug.”‹