Ga nooit alleen het bos in

Blijf veilig thuis en verdwaal in de film: al na één verkeerde afslag gaat alles mis.

Fragmenten uit Gerry,The Blair Witch Project,On the Road,Into the Wild enBefore Midnight.

Om in een film te verdwalen, hoef je maar een paar stappen buiten de gebaande paden te zetten. Al na de eerste verkeerde hoek die je om gaat, kun je volkomen verloren zijn. Filmpersonages dolen namelijk zelden zomaar wat rond. En als er in een film iemand verdwaalt, dan gaat het nooit om het verdwalen zelf. Dan wordt hij door de makers welbewust van het rechte pad afgeduwd. Een beetje sadistisch eigenlijk. Een gemiste afslag, een mobiele telefoon die om onverklaarbare redenen plotseling geen bereik meer heeft – moderne equivalenten van de weggewaaide landkaart – zijn al genoeg om de wereld in een vreemd, onherkenbaar en onvriendelijk oord te doen veranderen. De getuige komt bijna te laat op de bruiloft. De vader mist de schoolvoorstelling van zijn zoontje. De held ontmoet het meisje van zijn dromen doordat hij die ochtend een andere weg naar zijn werk moest nemen – ja, soms gebeurt er ook wel eens iets leuks en onverwachts. Altijd is het verdwalen een aanleiding. Daarna kan het beginnen. In de meeste films draait het om de weg terug, om het moment dat Odysseus Ithaka bereikt. De thuiskomst.

Dat heeft een reden natuurlijk. Als verdwalen geen nut heeft voor de plot, wordt het al gauw saai om naar te kijken. Tenzij de hoofdpersonen onderweg een hoop bizarre avonturen beleven en vreemde mensen ontmoeten, en ze niet zozeer verdwalen maar wel afdwalen. Je ziet dat bijvoorbeeld in roadmovies als The Straight Story (1999) van David Lynch of About Schmidt (2002), waarin Jack Nicholson als kersverse weduwnaar in een camper Amerika doorkruist en in Little Miss Sunshine. Maar filmpersonages is zelden het plezier van de flaneur gegund, van de straatlopende lanterfant die dankzij filosofen Walter Benjamin en Guy Debord een plaats in onze literatuur heeft gekregen.

Pas als een personage een doel heeft, wordt het spannend. Dan kan er een kink in de kabel komen. Dan kan de toeschouwer zijn eigen leven herkennen en zijn angsten bezweren. Geen wonder dat de meeste films waarin verdwalen een belangrijke rol speelt tot het horrorgenre behoren. Hadden we echt anderhalf uur naar het kampeertripje van Heather, Josh en Mike in The Blair Witch Project (1999) willen kijken als ze zomaar een beetje aan het wandelen waren in de bossen van Maryland? Nee, het is natuurlijk de suggestie dat daar een heks rondzwerft, gecombineerd met de paranoia van de studenten en het feit dat de film zogenaamd is gemonteerd uit hun teruggevonden videomateriaal. Dat jaagt ons als toeschouwers de stuipen op het lijf. De volgende keer als je gaat wildkamperen goed de rits van de tent dicht houden, een extra batterij voor de zaklamp mee, en nooit, nee nooit de anderen alleen laten. Ze zouden in elke overlevingsgids eigenlijk een apart hoofdstuk moeten opnemen met de lessen die we uit horrorfilms kunnen leren.

Behalve een praktisch ongemak is verdwaald zijn ook een existentiële staat. Ik noemde al de flaneur met zijn doelloze gedwaal. We zien hem terug in Richard Linklaters Before-trilogie (1995-2012) waarin de acteurs Julie Delpy and Ethan Hawke door Wenen, Parijs en Griekenland slenteren. Ze zijn de kinderen van Benjamin en Debord, maar vooral van Jack Kerouac. Hij was het immers die in On the Road (1957) beschreef dat er geen ander doel is dan het onderweg zijn zelf. Die Before-films worden veel te vaak alleen maar gezien als relatiekomedies, over een stel dat elkaar met tussenpozen van negen jaar ontmoet en waarvan wij hopen dat ze uiteindelijk nog lang en gelukkig samen zullen leven. Maar het is cinefiele Wanderlust op z’n best. Tijd, plaats en handeling vallen volkomen samen. De wandeling van Jesse en Celine heeft geen ander doel dan zichzelf. Hun liefde, hun geestverwantschap, hun twijfels, hun levensvragen bestaan alleen daar, met elke stap die ze zetten. De landkaart van hun leven tekent zich ter plekke onder hun voeten af. Willen we stiekem niet allemaal zo verliefd zijn? In een kleine tijdcapsule met alleen de horizon als grens?

Linklater filmt zoveel mogelijk in lange takes, zonder al te veel montage. Dat is noodzakelijk. Wie het gevoel van verdwalen wil oproepen, moet de tijd vertragen. Als de tijd snel gaat, en er te veel gebeurt, vergeten wij als toeschouwers onze hartslag op de voetstap van de personages af te stemmen.

Gus van Sant deed dat nog veel extremer in Gerry (2002), waarschijnlijk de ultieme verdwaalfilm. Gerry is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van twee Amerikaanse hartsvrienden Raffi Kodikian en David Coughlin die in 1999 verdwaald raakten in de woestijn van Nieuw-Mexico. Na dagen zonder water te hebben rondgelopen, waarin ze alle trucjes om niet uitgedroogd te raken uit het survivalhandboek hadden uitgeprobeerd – aan stenen likken, cactussen eten en hun eigen urine drinken – doodde Kodikian uiteindelijk de uitgeputte Coughlin. Van Sant schreef het scenario met acteur Casey Affleck die met Matt Damon de twee Gerry’s speelt, zoals de hoofdpersonen in de film heten.

Dageraad

Met name de apotheose van de film is onthutsend. We hebben dan al lang de hoop opgegeven dat de Gerry’s ooit de weg naar de bewoonde wereld terug zullen vinden. Terwijl het langzaam dag wordt, sloffen ze voetje voor voetje de dageraad tegemoet. Van Sant filmt ze op de rug. We moeten aan dat sjokken, en dat eindeloze shot de pijn en de vermoeidheid aflezen. Het is tergend. Het is ergerlijk. Je wilt opstaan. Uit je bioscoopstoel wegrennen. Of de film versneld afspelen. Maar dat zou laf zijn. Je verkort er het lijden van de hoofdpersonen niet mee. Want zij moeten verder lopen. Tot ze neervallen.

Dat is het ultieme verdwalen. Als er geen weg terug meer is. Als je de stijl in je eigen zonnewijzer bent geworden. Het is radicale cinema, omdat Gus van Sant en zijn twee Hollywoodacteurs geen enkele poging deden om de film makkelijk of dragelijk te maken. Het is een film die een beroep doet op andere zintuigen dan de traditionele vijf. Op je gevoel voor evenwicht. En je oriëntatievermogen.

En de tragische ironie van de film is natuurlijk dat je zelfs in het uitgestrekte Amerika nooit helemaal kunt verdwijnen, als dat de uiterste consequentie van verdwalen is. Gerry eindigt in een auto. De snelweg bleek toch dichterbij dan gedacht.

In Into the Wild (2007), ook op een waar verhaal gebaseerd, vertrekt een jonge man naar het noorden van Alaska om daar in de wilde natuur te leven. Hij verdwaalt niet per ongeluk maar expres. Goed voorbereid gaat hij op pad, tot daar waar de weg ophoudt. Daar leeft hij een paar maanden in een achtergelaten bus, tot zijn voorraden op raken. Dan blijkt het leven in de vrije natuur moeilijker dan gedacht. Voor deze Chris McCandless is er – hoewel hij net als de Gerry’s vlak bij de bewoonde wereld is – geen weg terug. Het stroompje dat hij overstak aan het begin van zijn retraite is aan het einde een brede rivier geworden. Noodgedwongen keert hij terug naar zijn bus om daar te sterven. Hij is niet langer verdwaald, maar gestrand. In een bus die nergens meer heen gaat.