Een moeilijke combinatie: democratie en spionage

De tussenstand was: ruim 50.000. Vijftigduizend implants, software die de Amerikaanse inlichtingendienst NSA wereldwijd tot en met juli van dit jaar had geïnstalleerd in computersystemen. Inmiddels zijn er het alweer meer; het streven is gericht op 85.000 eind 2013.

Het is een van de onthullingen die deze krant vandaag doet op basis van documenten die voormalig NSA-medewerker Edward Snowden ter beschikking heeft gesteld. Een ander nieuwsfeit is dat Nederland vele naoorlogse jaren lang, in elk geval tot 1968, in de speciale belangstelling heeft gestaan van de National Security Agency. Daar zijn allerlei redenen voor te bedenken, maar het blijft gissen. Ook nu nog zijn deze vroegere spionageactiviteiten van een buitenlandse mogendheid op Nederlandse bodem geheim.

Geruststellend is het allemaal niet. Het doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van Nederlandse ministers als zij stellen: „Het afluisteren van telefoonverkeer en het aftappen van e-mailverkeer door inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan alleen geschieden binnen de kaders van de wet.” Het kabinet schreef dat vorige maandweer eens aan de Tweede Kamer. En die wet geldt hier ook voor buitenlandse inlichtingendiensten, inclusief die van bondgenoten, voegde minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) er nog aan toe.

Hij is nu de minister van dienst die met enige regelmaat publiekelijk, in microfoons, in brieven, mag verklaren dat hij in het openbaar geen mededelingen kan doen over specifieke samenwerkingsrelaties of operaties van de Nederlandse inlichtingendiensten AIVD en MIVD. Daar zullen redenen voor zijn, al zal zo’n bewindsman ook zelf weleens worstelen met het gegeven dat hij niet weet wat hij niet weet. Wat hij wel weet, deelt hij, soms, vertrouwelijk in de Tweede Kamer met de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Die heeft niet voor niets als bijnaam ‘de commissie stiekem’. De kiezer wordt niets ingefluisterd.

Democratie en spionage schuren per definitie met elkaar, ook al staat het tweede in dienst van het eerste. Nederland heeft dit, zo goed en zo kwaad als het kan, toch geprobeerd te reguleren, en zo hoort het. Tot er een dilemma opdoemt. Zoals deze week bleek uit het nieuws dat Nederland tussen 2005 en 2010 politici van Bonaire heeft bespioneerd, terwijl het met hen ook onderhandelde over een nieuwe staatkundige status voor dit eiland. De wettelijk verplichte toestemming van het Antilliaanse kabinet voor het afluisteren ontbrak; premier De Jong-Elthage „wist van niets”. Het dilemma was dat het vragen van deze toestemming de inlichtingenoperatie, gericht tegen van corruptie verdachte bestuurders, in gevaar zou kunnen brengen. Een consequentie is wel dat Nederland de vinger nu niet te hoog kan heffen als het zelf voorwerp blijkt van illegale spionage door een bondgenoot – in kringen van inlichtingendiensten toch al een vluchtig begrip: bondgenoot.

Nu afgezet tegen 50.000 of 85.000 implants mondiaal klinkt een constatering eind 2011 van twee gespecialiseerde adviesorganen als een eufemisme: dat „er sprake lijkt van een toename van digitale

spionageactiviteiten”. De Adviesraad Internationale Vraagstukken en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken schreven dit aan het kabinet. Dat paste toen wel in een toenemende bewustwording in Nederland, zoals in 2011 ook tot uitdrukking kwam in een voorspelling van de toenmalig minister van Defensie, de CDA’er Hillen: „Onze krijgsmacht krijgt naast het zwaard nadrukkelijker ook toetsenbord en joystick in de hand.” Nederland heeft het Nationaal Cyber Security Centrum in 2012 ook niet gesticht om stil te zitten en hetzelfde geldt voor het dit jaar opgerichte Joint Sigint Cyber Unit, waarin AIVD en de (militaire) MIVD samenwerken.

Intussen heeft de burger het nakijken. Zeker, hij wil een overheid die zijn veiligheid tracht te waarborgen, maar dat is nog geen vrijbrief voor geheime diensten om zijn privacy tot een onbeduidend detail te verklaren. Het kenmerk van een democratische rechtsstaat is dat daarin ook de overheid is gebonden aan het recht, gecontroleerd door parlement en rechtspraak. Uit de onthullingen van ‘klokkenluider’ Snowden en onderzoek daarna blijkt dat inlichtingendiensten, in elk geval de NSA, al dan niet met stilzwijgende toestemming van hun overheden, gemakkelijk grenzen overschrijden. Letterlijk en figuurlijk. Met het risico dat zij zo tot een middel verworden dat erger is dan de kwaal die ze wensen te bestrijden.