De muur in het hoofd Ido Meijer, Jood uit West-Jeruzalem: ‘We moeten als gelijken samenleven’ Mahmoud, Palestijn uit Oost-Jeruzalem: ‘Ik wil de stad niet delen met de Israëliërs’

Gastredacteur Yotam Ottolenghi schreef zijn boeken samen met Sami Tamimi. Een Jood en een Palestijn uit Jeruzalem, een onwaarschijnlijke combinatie. Over de barrière in het hoofd van twee bevolkingsgroepen.

Tijdens religieuze spitsuren persen Israëlische joden en Palestijnse moslims zich langs elkaar door de enge gangen van de oude stad in Oost-Jeruzalem. De moslims slaan linksaf, over de glad gesleten kalkstenen naar de al-Aqsa Moskee. De in het zwart geklede joden rennen rechtdoor, rakelings langs gehurkte Palestijnse boerinnen die wijnbladeren en wilde tijm willen slijten, naar de Klaagmuur. Palestijnse souvenirverkopers bieden toeristen intussen stoïcijns verzilverde davidssterren en T-shirts van het Israëlische leger aan.

Zo lijkt het net alsof Israëliërs en Palestijnen in Jeruzalem vredig samenleven. En dat is tot op zekere hoogte zo. Beide groepen doen hun best niet te botsen. Hun handel en infrastructuur zijn voor een deel verweven. Soms lijken ze zó op elkaar, dan je een Jood voor een Palestijn houdt, en omgekeerd. In de oude stad, waar hun heilige plaatsen zich vlakbij elkaar bevinden, kruisen hun wegen. Maar is dat samenleven?

„Wij zullen Jeruzalem nooit verdelen.” Oftewel: Israël zal de autoriteit over Jeruzalem nooit delen. Het is een stokpaardje van de Israëlische premier Netanyahu. „Israël zonder Jeruzalem is als een lichaam zonder hart”, zei hij vorig jaar. „En ons hart zal nooit meer verdeeld zijn.” Bijna een halve eeuw geleden veroverde Israël Oost-Jeruzalem, dat de Palestijnen claimen als hoofdstad van hun gedroomde onafhankelijke staat. Netanyahu claimt dat Israël Jeruzalem „verenigd” heeft.

Maar Jeruzalem blijft verdeeld. Niet door een fysieke muur. Die beruchte betonnen Muur staat rond geannexeerd Oost-Jeruzalem, voegt dat stadsdeel bij Israël en snijdt het af van de bezette Westelijke Jordaanoever. En ook niet door een geografische grens tussen Oost en West. Zo wonen er Joodse kolonisten midden in en ten oosten van Palestijnse wijken. Nee, de grootste barrière zit in de hoofden van de Jeruzalemmers. Opgeworpen door nationalisme en decennia van geweld.

Zeldzame optimisten zoeken culturele parallellen om die immateriële muur te slechten. Zo brachten de Israëlische kok Yotam Ottolenghi – de gastredacteur van dit magazine – en de Palestijnse kok Sami Tamimi hun gedeelde liefde voor gemeenschappelijke eetgewoonten vorig jaar samen in het kookboek Jerusalem. In het voorwoord schrijven ze enthousiast dat de stad een smeltkroes van culturen is. Dat smaken overlappen. „Iedereen, maar dan ook echt iedereen, gebruikt fijngesneden komkommer en tomaat om een Arabische of een Israëlische salade te maken – afhankelijk van het gezichtspunt. Rijst met vlees verschijnt ook op bijna elke eettafel.”

Eten is, volgens de koks, momenteel „de enige verbindende kracht in deze verdeelde stad”. Ze noemen het „verdrietig” om te zien hoe weinig dagelijkse interactie er is tussen Joden en Palestijnen. Ottolenghi zei tegen de Israëlische pers dat zijn hechte vriendschap met Tamimi waarschijnlijk nooit in Israël had kunnen ontstaan, omdat Joden en Palestijnen elkaar daar niet op gelijke voet benaderen.

De koks werden allebei in 1968 geboren in dezelfde stad. Ottolenghi in een intellectueel gezin uit de middenklasse in West-Jeruzalem, Tamimi in een armere moslimfamilie in Oost-Jeruzalem. Ze verruilden de stad allebei eerst voor het liberale Tel Aviv en later voor het wereldse Londen, waar ze elkaar ontmoetten. Hun vertrek uit Jeruzalem is inmiddels zo’n twintig jaar geleden.

Nu wonen Ido Meijer en Mahmoud Ghieth in Jeruzalem nog geen twee kilometer van elkaar. Ido in een Joodse wijk in West-Jeruzalem, Mahmoud in een Palestijnse buurt in Oost-Jeruzalem. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet, en zullen elkaar vermoedelijk nooit treffen. Ido komt niet in Palestijnse wijken omdat die een beetje gevaarlijk heten. Bovendien vindt hij het „niet respectvol” om daar te koekeloeren. De Palestijnen hebben al stress genoeg. Mahmoud gaat niet naar Joodse wijken, omdat hij bang is dat de politie hem arresteert – en ook bang dat hij daar aanleiding toe zal geven.

De jongens werden allebei geboren in 1996, ronden nu de middelbare school af en willen journalistiek studeren. Mahmoud omdat hij een einde wil maken aan de Israëlische bezetting van Palestijns gebied. Ido vindt communicatie interessant. Vooral de commerciële kant ervan: de reclame. Hij hoopt dat hij volgend jaar, als zijn dienstplicht begint, bij de legerradio wordt geplaatst. De jongens zijn allebei opvallend lang, mollig en zachtaardig. Verder doorsnee: spijkerbroek, T-shirt, gympen. Ze bidden allebei niet.

Kinderwagens

De school van Ido staat in de Joodse buurt Rehavia, gebouwd in de jaren twintig, ten tijde van het Britse Mandaat over Palestina. De straten zijn stil, schoon en vol schaduw. Er zijn boetieks en patisserieën. Voorbijgangers duwen kinderwagens of dragen koffie in papieren bekers. Dit zou een betere Zuid-Europese buitenwijk kunnen zijn – op de religieuze mode na. De meeste mannen dragen een keppel of een zwarte hoed. Vrouwen hebben pruiken of sjaaltjes op hun hoofd. En er klinkt veel Amerikaans.

De Hebreeuwse school heeft een enorme atletiekbaan. En een voetbalveld. Een basketbalveld. Naast een gymzaal. Plus een theater. Het is een publieke school, maar ook een eliteschool. Bekostigd door de stad en extra ondersteund met donaties. Het is de beste school van Jeruzalem. Ido is er heel gelukkig. Hij mag zijn lesprogramma deels zelf indelen en koos voor literatuur en kunst. Zijn Engels is vloeiend.

Na school hangt Ido met vrienden in restaurants in het centrum van West-Jeruzalem. Hij eet graag sushi. Falafel, de regionale snack van gefrituurde kikkererwtenpuree, vindt hij net gekookte tandpasta. Van hummus krijgt hij een opgezette maag. Toch komt Ido graag op de reusachtige markt, waar alles te krijgen is wat Israël te bieden heeft. Kruiden in felle kleuren. Groenten met stekels en pokken. Halva zo vers dat het in de mond tot poeder uiteenvalt. Iedereen plukt en pulkt aan de aangeboden waar. Mensen snoepen nootjes, knijpen in kakifruit. Hun gezichten staan op onweer, hun stemmen op ruzie.

Met de vrijpostigheid van Israëliërs heeft Ido wel eens moeite. „Waarom zijn we zo brutaal? Waarom denken Joden dat ze alles kunnen zeggen?” Hij wordt vaak uitgescholden om zijn homoseksualiteit. Hij hoort ultranationalistische Joden leuzen tegen Arabieren scanderen. Hij ziet de ultraorthodoxen poepluiers gooien naar automobilisten die op zaterdag, shabbat, durven te rijden. Al wordt hier niet meer iedere dag iemand gedood, zegt Ido, toch staat Jeruzalem strak van de spanning.

Veel van zijn vrienden zeggen dat alle Palestijnen corrupt zijn, of babymoordenaars. Onzin, zegt Ido. Hij leeft met de Palestijnen mee. „Mijn moeders familie komt uit Marokko, die van mijn vader uit Roemenië en zij hadden daar soortgelijke problemen. Ze werden uit hun huis gejaagd, hun winkels werden gesloten.” Nu is zijn moeder schoonheidsspecialist, zijn vader aannemer. Zijn twee broers zijn ondernemer, zijn zus is advocaat. „Bourgeois”, noemt Ido zijn eigen familie en buurt.

„Palestijnen hebben niet dezelfde kansen als wij”, zegt Ido. Sterker: „De Israëlische overheid discrimineert. Dat ze in vervuilde getto’s leven, zoals zwarten in Amerika en Joden vroeger in Europa, dat zou anders moeten. We moeten samenleven als gelijken.” Wat Ido hieraan kan doen, weet hij niet. Hij leidt gewoon zijn leven. De Muur heeft hij nog nooit van dichtbij gezien.

Jordaanoever

Mahmoud ziet de Muur slingeren vanuit zijn kamer, die hij deelt met twee kleine broertjes. Hij moet erdoorheen, als hij familie in de Westelijke Jordaanoever bezoekt. Hij woont in een smerige steeg in Silwan, een Palestijnse wijk in de Kidron-vallei, onder de oude stadsmuren. En onder het Mount Zion Hotel, waar de kok Sami Tamimi zijn kookcarrière begon, in de spoelkeuken. Mahmouds oudere broer is, ondanks zijn diploma’s, ook keukenhulp. Zijn andere grote broer is herenkapper. Zijn vader is conciërge op een school, zijn moeder zwanger van de zesde. Op het vuur pruttelt vette, zoutzure schapenyoghurtsaus met lamsvlees. Ze zijn niet arm en niet rijk, zegt Mahmoud.

De wijk waarin zij wonen is wel arm. Meer dan de helft van de Palestijnen in Silwan, enkele tienduizenden, is jonger dan achttien jaar. Driekwart leeft onder de armoedegrens. Er zijn te weinig klaslokalen voor basisschoolleerlingen. Het aantal schoolverlaters is hoog, net als het aantal drugsgebruikers. Silwan wordt daarom het Colombia van Jeruzalem genoemd. Door de ligging, tegen de steile hellingen van de vallei, oogt Silwan als een Zuid-Amerikaanse sloppenwijk. Twaalfjarigen drinken bier en roken. Tweejarigen rennen rond met speelgoedpistolen. Vuilnis wordt er zelden opgehaald. Het wegdek is kapot. Het ruikt er naar de paarden die tussen de huizen staan, naar schimmel en naar verbrand plastic.

De Palestijnen in Oost-Jeruzalem hebben een Israëlische verblijfsvergunning en betalen belasting, maar mogen niet stemmen in het parlement. De gemeenteraadsverkiezingen boycotten ze, om nationalistische motieven, en omdat ze voelen dat ze toch geen invloed hebben. Bij de laatste kiesronde, eind oktober, sneed nagenoeg geen partij de problematiek in Oost-Jeruzalem aan. De gemeente besteedt bijna twee keer meer aan Joodse dan aan Palestijnse middelbare scholieren.

Behalve met gebrek aan werk en voorzieningen heeft Silwan sinds 1991 ook te maken met de aanwezigheid van tientallen Joodse kolonistenfamilies die verspreid over de Palestijnse wijk wonen, onder zware bewaking. Bij een kolonistencrèche staan auto’s met beveiligde ramen, tegen de stenen die de jongetjes van Silwan soms gooien. De kolonisten dragen allemaal een wapen in hun achterzak. Regelmatig komt het Israëlische leger binnen om jongetjes te verjagen of te arresteren.

Mahmoud is drie keer opgepakt. Een keer omdat hij demonstreerde bij de oude stad tegen Joodse bezoekers op het terrein van de al-Aqsa Moskee. Eens omdat de politie zei dat hij molotovcocktails had gegooid. En een keer omdat hij stenen naar het huis van een kolonist zou hebben gegooid. Mahmoud wil niet zeggen of dit waar is. Hij wil dat de Israëliërs uit Jeruzalem vertrekken, maar hij gelooft niet dat geweld werkt, zegt hij. En hij is doodsbang om weer in de gevangenis te belanden. Dus stampt hij na schooltijd in een jeugdclub liever de dabke, een volksdans, dan dat hij op straat rondhangt. Niettemin loopt hij knikkend en zwaaiend en handenschuddend door Silwan. Hij kent iedereen.

Schooldiploma

Mahmoud wil per se zijn schooldiploma halen en daarna studeren, om „iets constructiefs te kunnen doen voor Palestina”. Mahmoud heeft echter moeite om mee te komen op school. Niet omdat hij slecht leert, integendeel, hij geldt als excellente leerling. Maar omdat het curriculum van de publieke school door de Israëlische regering is vastgesteld en hij moet leren dat de Palestijnen Israël hebben bezet, en niet andersom. Mahmoud wil Jeruzalem helemaal niet met de Israëliërs delen. „Stel je voor dat jouw moeder ook de moeder van een vreemde is. Dat kun je toch niet accepteren?”

Behalve soldaten en kolonisten ziet hij eigenlijk nooit Joodse Israëliërs. Of toch, die paar die samen met de Palestijnen demonstreren tegen de nederzettingen in Oost-Jeruzalem. Maar hij kan niet met ze communiceren. Hij spreekt nauwelijks Engels of Hebreeuws. Toen hij laatst in een Israëlisch ziekenhuis werd opgenomen, bleef hij maar glimlachen, uit angst dat de dokters de politie zouden bellen en hij weer de cel in moest. Hij komt graag in de oude stad, maar durft alleen met een groep van vijftien Palestijnen door de Joodse wijk die aan Silwan grenst. Dat heeft hij één keer gedaan. Hij vertelt het met een mengeling van trots en gêne.

Vriendschap met een Joodse Israëliër kan Mahmoud zich absoluut niet voorstellen. Hij zou het ook niet willen. Hij wilde voor dit artikel ook niet samen met Ido op één foto. Palestijnen die met Israëliërs samenwerken worden in Silwan als verraders gezien.

Ido gelooft wel dat vriendschap mogelijk is, zegt hij. Elders. „In Europa en de Verenigde Staten leven Joden en Arabieren en Perzen door en met elkaar.” Dan: „Maar ja, Jeruzalem is oorlogsgebied.”‹