Daar was Max.

Eindelijk.

Achtergrond

Vijf jaar kostte het topkok Yotam Ottolenghi om vader te worden. Zijn verslag, en dat van drie andere gezinnen met twee vaders, van de lange weg naar ouderschap.

tekst Yotam Ottolenghi

foto’s Nederlandse gezinnen Jan van Breda

Ik heb altijd kinderen gewild. Voor een deel vanwege mijn typisch Joodse angst: Oh wee, kinderloos oud worden? Dat is toch dodelijk eenzaam! Maar daar kwam bij dat ik terugkijk op een fijne jeugd in een warm nest, en dat ik naarmate ik ouder werd meer behoefte kreeg aan nieuwe zingeving, aan een minder hedonistische manier van leven.

Mijn partner, Karl, had er nooit over nagedacht voordat we elkaar leerden kennen. Zoals de meeste homo’s was hij er altijd van uitgegaan dat het ouderschap niet voor hem was weggelegd. Niet dat hij daar erg mee zat – het zat er gewoon niet in, punt uit. Dus richtte hij zich vooral op z’n werk (hij is winkelmanager), en soms op de sportschool, en verder was het lang leve de lol. Mijn verlangen naar ‘zelfverwezenlijking via een koter’ (zoals hij het noemde) was hem volkomen vreemd.

Toch hadden we het weleens over kinderen. Karl kon zich er niet zoveel bij voorstellen: hoe zou een zoon of een dochter in ons leven passen? Wie zou de moeder zijn, en wie de vader? We hadden geen rolmodellen, geen voorbeelden in onze omgeving, en er waren allerlei risico’s en vraagtekens. Een gezin met twee vaders, dat kende Karl niet. En wat wist ik er zelf trouwens van? Weinig – alleen dat ik hevig naar iets liefs en zachts verlangde, en dan bedoelde ik geen hondje. Karl stak zijn bedenkingen niet onder stoelen of banken, maar hij beloofde me alle steun: „Als ik je maar niet kwijtraak en je straks meer van je zoon gaat houden dan van mij!” Hij zei het maar half voor de grap.

De meest voor de hand liggende optie was co-ouderschap, iets waar veel homo’s in Israël, mijn geboorteland, voor kiezen. Dat betekende dat we het kind samen met een al dan niet lesbische vrouw zouden opvoeden, en dat het kind net als bij gescheiden ouders om de beurt bij haar en bij ons zou wonen. Prima plan, vonden we. Karl en ik zouden gewoon ons eigen gedoetje houden en lekker van het leven blijven genieten, terwijl we toch een kind hadden – een parttime kind. Belangrijker nog was dat co-ouderschap de oplossing was voor een van de andere vooroordelen waar ik het al over had: ik vond dat een baby een moeder moest hebben, en dat het een doodzonde was om hem de fles te geven in plaats van de heilige moederborst. Diep van binnen had ik het gevoel dat ik >> >> zwaar tekort zou schieten.

Via een bemiddelingswebsite voor potentiële co-ouders leerde ik een lesbisch stel kennen uit Brighton. We zagen elkaar voor het eerst bij een lunch in een Libanees restaurant aan de Edgware Road in Londen. Het was een echte blind date, compleet met alle gêne en overhaaste conclusies, gevolgd door schaapachtig aftasten. Wat het nog gênanter maakte, was dat onze ontmoeting maar één doel diende: samen een kind maken, en verder niets. Het was niet de opmaat voor een onenightstand, zelfs niet het begin van een mooie vriendschap. Het was een sollicitatiegesprek voor de moeders van mijn prachtige kind. Help!

Maar toen we eenmaal de schaamte voorbij waren, ging het best goed en konden we zelfs om onze bizarre situatie lachen. De grootste verrassing, zei ik toen ik thuiskwam tegen Karl, was dat mijn nieuwe vriendinnen leuke vrouwen waren. Erg leuke vrouwen zelfs. Dat had ik niet verwacht. Want wie schrijft zich nou in op een website om met wildvreemden te gaan co-ouderen?

Daarna spraken we eens in de paar weken af, om te zien of onze relatie wel toekomst had. En we gingen in gesprek over de ‘regeling’. In het begin was alles koek en ei. Hoe langer we met elkaar omgingen – avondjes in een lesbisch huishouden met twee poezen en een vochtprobleem, een nachtmerrie voor een homo uit de grote stad; middagen in een chic Londens appartement waar de vloeren zo blonken dat een onhandige lesbo zomaar een gat in haar kop zou kunnen vallen – hoe leuker we elkaar vonden. Maar dat was niet genoeg: we moesten ook verstandig zijn en het een en ander op papier zetten.

Uiteindelijk resulteerde dat in een hopeloos ingewikkeld document. Er was een scenario voor het eerste jaar, voor het tweede jaar en voor de twee jaar daarna. Er was een paragraaf voor de basisschool en eentje voor de middelbare. Ik zou twee keer per week naar Brighton gaan, het kind zou om het weekend bij ons zijn, maar pas met negen maanden. Karl en ik zouden ‘het’ mee op vakantie mogen nemen, maar pas als ‘het’ twee jaar was.

Maar wat als een van de twee stellen uit elkaar zou gaan? Of allebei? Welke rechten hadden toekomstige levenspartners? En toekomstige broertjes of zusjes? Het contract werd een molensteen om onze nek. De klik die er aanvankelijk was geweest, was niet meer genoeg om de boel bij elkaar te houden, en we leken steeds meer op een echtpaar in scheiding dat over de omgangsregeling ruziede. Hoe laat breng je ‘het’ op zaterdagavond terug? En waarom mag mijn zoon niet al met zes maanden blijven slapen?

Na een lange reeks pijnlijke telefoongesprekken over de kleinste details in het leven van een kind dat nog niet eens geboren was, wisten we allemaal dat dit niet ging werken. Alles was op een haar na rond; we hadden zelfs al een datum geprikt voor onze eerste poging. Maar uiteindelijk ging het mis op zoiets onbenulligs als waar ons kind op z’n zesde een half middagje zou doorbrengen. Intussen waren ons ook een paar dingen duidelijk geworden die niets met de omgangsregeling te maken hadden. De dames uit Brighton realiseerden zich dat ze een fulltime-baby wilden. Ik had besloten dat ik mijn kind dichter bij Karl en mij in de buurt wilde hebben, echt deel van mijn leven wilde laten uitmaken. Ook kwam ik erachter dat ik het lastig vond om de controle uit handen te geven, om los te laten. En dus gingen we ieder ons weegs.

Moesten we het met Karin proberen?

Kort daarop werd ik benaderd door een goede vriendin, Karin, die net zo oud was als ik, 42 op dat moment. Of wij het niet eens samen konden proberen. Karin is hetero, en zag dit als haar laatste kans op een kind. „Het zou echt fantastisch zijn!” zei ze. „We wonen op loopafstand van elkaar, dus het kind blijft altijd in dezelfde buurt. We worden gewoon één grote familie.”

Het leek inderdaad ideaal, en deze keer waren we het dan ook snel eens. We gingen een paar keer om de tafel zitten, maakten een paar halve afspraken – en hup, ik leverde ’s morgens op weg naar mijn werk al potjes sperma bij haar af. Intussen verdiepten we ons vast in alle mogelijkheden om de natuur een handje te helpen. Want Karin had een moeilijke leeftijd. Vruchtbaarheidsartsen nemen geen blad voor de mond, die zeggen niet tegen een vrouw: „Schat, je bent zo oud als je je voelt.” Ze lieten er geen misverstand over bestaan dat onze kans op een zwangerschap buitengewoon klein was. We kregen te horen dat we ‘liever gisteren dan vandaag’ aan een ivf-cyclus moesten beginnen.

En toch voelden we ons onoverwinnelijk. We wisten best dat het lot vrouwen van boven de veertig niet gunstig gezind was, maar we hadden niet het gevoel dat dat voor ons gold. Karin was kerngezond en optimistisch, en we waren allemaal gewend om onze zin te krijgen.

Uiteindelijk hebben we vier ivf-pogingen gedaan. Na elke keer dat het misging hadden we een beetje minder hoop. Karin had het er moeilijker mee dan ik. Voor haar bracht elke negatieve uitslag de definitieve kinderloosheid een stap dichterbij, terwijl ik het als man nog altijd op een andere manier kon proberen.

Ook onze vriendschap leed eronder. Net als bij de dames uit Brighton kwam er gedoe over de wie-wanneer-wat-kwestie. Langzaam maar zeker veranderden we in projectmanagers die almaar fictiever wordende toekomstige taken verdeelden. We putten steeds minder kracht uit ons hypothetische kind, en na de vierde teleurstelling gooiden we de handdoek in de ring.

En weer moesten we onszelf bij elkaar rapen en ons ieder apart op de volgende stap beraden. Karin zou zich erbij moeten neerleggen dat ze kinderloos zou blijven, hoe moeilijk en onrechtvaardig dat ook was. Ik was ook aangeslagen, maar waarschijnlijk net iets minder dan zij, want ik had de moed nog niet opgegeven. Toch durfde ik steeds minder te hopen dat de droom die ik al drie jaar lang najoeg ooit nog zou uitkomen.

Na elke mislukte ivf-cyclus was ik meer voor de moederloze optie gaan voelen. Toen ik dat na de laatste cyclus aan Karl vertelde, wist ik gewoon dat ik op hem kon rekenen. In de loop der jaren was hij steeds meer aan het idee van een kind gewend geraakt. Hij was er anders over gaan praten; hij had het niet meer over „jouw” kind maar over „ons” kind. Terwijl ik bezig was geweest om een kind te verwekken, was hij er al mee gaan leven.

Ik had wel m’n twijfels bij het draagmoederplan. Ergens had ik al afscheid genomen van het idee dat ik vader zou worden. Na alle decepties en op niets uitgelopen gesprekken had ik er weinig vertrouwen meer in. En ik had mijn kind oprecht een moeder gegund. Maar Karl was een stuk minder somber; hij verheugde zich inmiddels echt op het fulltime-vaderschap.

Al snel merkten we in wat voor mijnenveld we ons zo argeloos hadden begeven. Ik zal niet op alle juridische, technische en financiële haken en ogen ingaan, maar we hebben heel wat keren tegen elkaar gezegd: „Die hetero’s hebben het verdomme maar makkelijk. Ze hoeven alleen maar op het juiste moment met elkaar het bed in te duiken en het is gepiept.”

We konden ons kind niet in eigen land krijgen, omdat het in Groot-Brittannië verboden is om een draagmoeder te betalen; je mag alleen de onkosten vergoeden. In Amerika is commercieel draagmoederschap (waarbij een donoreicel wordt gebruikt) veel gangbaarder. Er zijn diverse bureaus die stellen – zowel homo’s als hetero’s – aan een eiceldonor en een draagmoeder helpen en ook de complexe juridische en medische zaken afhandelen. Dat kost een godsvermogen, zeker met de krankzinnig dure ziektekostenverzekering die buitenlanders als wij moeten betalen. Je bent minimaal 100.000 dollar kwijt, en vaak heel wat meer.

We gingen in zee met een bureau in Los Angeles, en binnen een paar maanden kregen we het profiel van een draagmoeder. Melanie, die zelf vier kinderen had en al eerder draagmoeder was geweest, leek ons een prima keus. We vlogen naar LA om haar te ontmoeten. In het bijzijn van een psychotherapeut van het bureau zei Melanie dat ze op het idee was gekomen toen ze een draagmoeder bij Oprah Winfrey hoorde vertellen hoe mooi het was om een levend wezentje te kunnen schenken aan een stel dat zelf geen kinderen kon krijgen. Melanie was meteen enthousiast geweest. Daarna hebben we met z’n drieën geluncht. Terug in Londen hoorden we dat Melanie ons had goedgekeurd. We waren in juichstemming.

Vervolgens moesten we een eiceldonor zien te vinden. De gezichten die ons >> >> aankeken vanuit het computerbestand van het bureau zeiden ons niet veel. Hoe kies je de moeder van je kind van een beeldscherm vol feiten en cijfers? Moesten we afgaan op lengte, intelligentie of huidskleur? Was schoonheid, academisch niveau of etnische achtergrond van belang? Dit was de moeilijkste beslissing die we moesten nemen, en tegelijk ook de makkelijkste. Want wie we ook kozen, we hadden geen flauw idee hoe dat zou uitpakken voor het kind; we weten gewoon niet hoe genen werken. Het was alsof je je hand in een doos met lootjes stak, blindelings rondtastte en er op goed geluk eentje uithaalde.

Drie maanden later begonnen Melanie en de eiceldonor ieder in hun eigen woonplaats aan een kuur om hun menstruatiecyclus op elkaar af te stemmen. Daarna vloog de donor naar de kliniek in LA, waar haar eicellen werden afgenomen en bevrucht in een reageerbuisje – de standaard-ivf-procedure.

En toen kwam de onvergetelijke dag dat de kliniek belde met de vraag hoeveel bevruchte eicellen we wilden laten inbrengen bij Melanie, die ook naar LA was gevlogen. Karl zat in Noord-Ierland en ik in Israël. Tot dan toe hadden we altijd op één kind tegelijk gerekend. Twee of drie eicellen inbrengen verhoogde weliswaar de kans op een zwangerschap, maar óók de kans op een meerling. Dus besloten we het er op eentje te houden. Maar bij de gedachte aan alle vorige mislukkingen raakte ik in paniek. Ik belde Karl en ik zei: „Fuck it, we nemen er gewoon twee.” Maar Karl, de rustigste van ons tweeën, zei dat ik me niet gek moest laten maken. Het was pas de eerste poging; als het niet lukte, zouden we er de volgende keer twee nemen. Ik gaf hem zijn zin, al wist ik zeker dat ik gelijk had.

Maar wat was het een feest toen ik ongelijk bleek te hebben! In mei vorig jaar zaten Karl en ik aan de bar van ons restaurant toen ik een telefoontje kreeg uit Pasadena in Californië. De vertrouwde stem van de zuster van de vruchtbaarheidskliniek vertelde ons dat Melanie zwanger was. We keken elkaar aan en konden alleen nog maar als een stel debielen zitten grijnzen. We vertelden het meteen aan onze familie en beste vrienden, al was het eigenlijk nog te vroeg. Na vier jaar proberen ging ik misschien toch echt vader worden. Ik was dolblij en apetrots, een beetje bang en ongelooflijk opgelucht.

Twaalfwekenecho

De volgende mijlpaal na het goede nieuws was de twaalfwekenecho, en vanaf dat moment begonnen we echt plannen te maken. We spraken Melanie om de paar weken om zeker te weten dat alles in orde was, en we letten op elk symptoom, elke stemming, elk goed of slecht teken. Karl zou zijn baan opzeggen om fulltime voor de baby te gaan zorgen. We begonnen over namen, scholen en buggy’s te praten – het soort gesprekken dat we bij andere ouders altijd zo slaapverwekkend hadden gevonden.

De eerste keer dat we naar Boston gingen, waar Melanie in de buurt woonde, was voor de twintigwekenecho. We zagen Melanie in de onderzoekskamer, waar de zuster ons het kloppende hartje liet zien, en een paar andere duidelijk herkenbare organen, zoals een piepklein spits neusje, het enige mensachtige aan het beeld. Het ziet er allemaal goed uit, zei de zuster, en ze wees naar een klein wit vlekje, het onmiskenbare bewijs dat het een jongetje was. Een jongetje met een neusje, dat was het enige waar ik aan kon denken. We vielen elkaar met z’n drieën in de armen; we waren in de zevende hemel.

Vier maanden later waren Karl en ik weer in Boston, gewapend met babybenodigdheden, een berg theoretische kennis en een beetje praktijkervaring. Karl had een paar dagen bij een vriendin gelogeerd die net een zoontje had gekregen; hij had de baby verschoond en in bad gedaan, en een idee gekregen van wat ons te wachten stond. We waren er drie weken voor de uitgerekende datum, want we wilden voor geen goud de bevalling missen. We streken neer in een appartementje in Boston, verkenden de buurt en zorgden dat we alle spullen hadden voor Max (de naam hadden we al een paar weken paraat).

Toen begon het grote wachten. Het waren mooie maar rare dagen. Er was niets meer wat we konden doen. Na alle inspanningen van de afgelopen jaren konden we nu achteroverleunen tot het telefoontje kwam.

En uiteindelijk kwam dat niet eens. We waren met Melanie mee om een routine-echo te laten maken toen de zuster zei dat ze het gek vond dat ze geen weeën had; op de echo was duidelijk te zien dat de bevalling was begonnen. We moesten meteen naar het ziekenhuis. Melanie pikte onderweg thuis wat spulletjes op; wij aten snel een hamburger bij Wendy’s.

De bevalling verliep voorspoedig. Terwijl de weeën heftiger werden, keken we met Melanie naar domme tv-programma’s. Op een gegeven moment namen we even pauze, maar we werden er weer bij gehaald voor het moment suprême. Melanie deed het geweldig. We hielden samen haar handen vast en spraken haar moed in. Ik voelde me best schuldig dat ze zo hard voor ons moest werken.

Vanaf het moment dat Max z’n koppie liet zien voorzagen de verloskundigen ons van commentaar (er lag een laken over Melanies onderlichaam, waardoor we hem niet konden zien). „Tjee, wat een grote jongen, en zoveel haar!” En even later: „Een kerngezond kindje, met een flinke bos haar!” Dat zeiden ze zo vaak dat ik visioenen kreeg van een groot, harig monster.

Toen hij er dan eindelijk was, bleek Max inderdaad groot en harig – en het allermooiste mannetje van de wereld. Karl en ik bleven Melanies handen vasthouden terwijl hij van top tot teen door de zusters werd nagekeken. Maar Melanie maakte daar snel een eind aan. „Hou eens op met die onzin, jongens”, zei ze. „Ga met je zoon spelen!” En dat lieten we ons geen twee keer zeggen. <<

Vertaling Cecilia Tabak. Sommige namen zijn om privacyredenen veranderd.