Bij autofictie mag een lezer best weten om wie het gaat

Voltrekt zich tussen de spectaculaire afluisterschandalen en natuurrampen in de krant een stille revolutie in de ribfluwelen vrijplaats, de boekenbijlage?

In zijn bespreking van Arie Storms nieuwe roman Luisteren hoe huizen ademen onthulde recensent Arjen Fortuin de ware identiteit van twee personages over wie in het boek laatdunkende opmerkingen worden gemaakt. Het zijn de journalisten Ingrid Hoogervorst en Onno Blom, collega’s van Storm in de Tros Nieuwshow. Ook de presentatoren van het programma worden in de roman behandeld – en ook hen noemde Fortuin bij hun echte naam (Bij storm staat alles op losse schroeven, 15 november).

Daarmee schond hij, schreef hij zelf, de „code” dat recensenten een roman moeten behandelen als autonoom kunstwerk. Verwijzingen naar de werkelijkheid, of naar echte mensen, doen er niet toe voor de waardering van het boek.

Andere besprekers hielden die code half op zak. Zo schreef de Volkskrant dat Storm afrekent met personages „die schrikbarend lijken op bestaande personen’’. De krant meldt dat Storm boeken bespreekt bij de Tros Nieuwshow (en dan kunt u het dus zelf nagaan), maar noemt niet de namen van de betrokkenen. Wél die van de Amsterdamse hoogleraar Thomas Vaessens die onder een andere naam „een sneer’’ krijgt in de roman.

Op zichzelf komt het vaker voor dat recensenten de lezer laten weten dat een personage is gebaseerd op een kennis, vriend of vijand van de auteur: over de roman Chaos en Rumoer (1997) van Joost Zwagerman schreef Hans Goedkoop bijvoorbeeld (net als veel andere recensenten): „De opgevoerde uitgevers zijn moeiteloos herkenbaar als de zijne, Sontrop en Ros.” Maar dat boek was dan ook geheel en al een postmodern spel met feit en fictie – en bovendien, de verwijzingen waren niet beledigend.

Bij pikantere, of meer insinuerende replica’s van echte mensen kom je vaker een omfloerste beschrijving tegen. Zoals deze van Trouw-recensent Tom van Deel over de roman Mensen met een hobby (2001) van Désanne van Brederode: „De meeste namen, ook van personages die overduidelijk verwijzen naar figuren uit de literaire wereld, zijn gefingeerd”. Of, zoals Elsbeth Etty in NRC Handelsblad schreef, ze „lijken soms op bestaande schrijvers en critici die elkaar regelmatig ontmoeten in een etablissement dat veel weg heeft van een bekend semiliterair café in Amsterdam”.

Ja, overduidelijk voor wie zelf in dat wereldje verkeert, welteverstaan.

Dat één personage (een „verleider” die een namenlijst van geliefden in zijn computer bewaarde) was gemodelleerd naar Volkskrant-criticus Michaël Zeeman (1958/2009) werd in NRC Handelsblad een jaar later opgemerkt, in een portret van de roemruchte criticus.

Maar doen die namen ertoe?

De „code” die Fortuin aanhaalt, komt erop neer dat de roman op zichzelf beoor

deeld moet worden. De werkelijkheid blijft buiten de deur. Ja, insiders mogen een heimelijke knipoog of plaagstoot naar echte mensen best begrijpen, en in de salons mag er geroddeld worden (over ‘wie-is-wie’ bij Proust raakte Parijs jarenlang niet uitgepraat). Maar voor het oordeel doet het er allemaal niet toe.

Literaire personages zijn natuurlijk doorgaans ook geen eendimensionale portretten, maar verdichtingen. Zoals Eagles-zanger Don Henley ooit zei over zijn songteksten, in een poging het artistieke kaliber ervan te verzwaren: „De vrouwen in mijn songs zijn composities van alle vrouwen die ik heb gekend”. Ga er maar aan staan, als recensent.

Toch vind ik de onthulling van Fortuin verdedigbaar, en geen breuk met de autonomie van het kunstwerk.

Fortuin gaf er in zijn bespreking twee argumenten voor. Allereerst, de roman van Storm leeft van de „autobiografische spanning”. De verwijzingen naar zijn radiocollega’s zijn ook niet bepaald gelaagd of ambigu, maar eendimensionaal en direct. Het zijn nauwelijks personages. Dus ‘onthulde’ de recensent eigenlijk niets.

Maar de lezer kan daar wel mee geholpen zijn, want die kent het literaire ‘wereldje’ minder goed dan de recensent, en staat ook niet elke middag aan de toog in café de Zwart, Spuistraat 334, 1012 VX, Amsterdam (het „etablissement” uit de roman van Van Brederode). De recensent trouwens ook niet, mag ik hopen.

Het gevaar dat de bespreker loopt door die namen te noemen (en ik nu met dit stukje) is wel dat je de auteur geeft wat hij misschien stiekem wil: aandacht, ophef of zelfs, hosanna, een literaire rel! Maar de povere twee ballen die deze roman kreeg, lijken zulk rumoer niet echt aan te jagen – bovendien, we hebben inmiddels de nu al tumultueus ontvangen W.F. Hermans-biografie van Willem Otterspeer.

Intussen roept de journalistieke identificatie van Storms personages de bredere vraag op, hoeveel biografische context een recensent bij een roman moet geven. Dat is een reële vraag, nu ‘autofictie’ in de Nederlandse letteren oprukt.

Soms is de autonomie dan opeens al een stuk minder autonoom, vooral als het om bekendere personen gaat.

Zo kopte Trouw over de semiautobiografische roman Badal van de betreurde Anil Ramdas plompverloren: Hopelijk is dit niet Ramdas’ echte leven. En deed de Volkskrant het „als fictie verhulde” boek van Dirk van Weelden Het laatste jaar, geïnspireerd door zijn jarenlange literaire vriendschap met Martin Bril, af als „een narcistisch georiënteerde verdediging voor het uitblijven van succes”. Toe maar. Handen af van Bril.

Nu vroegen deze beide auteurs er ook wel om: Ramdas zei in een interview zelf, niet ongeestig, dat hij in zijn boek „de Wikipedia-gegevens van Anil Ramdas” had gevolgd, Van Weelden liet zich interviewen over Bril en een foto van Bril en hemzelf op het omslag zetten.

Dat neemt niet weg dat beide boeken, geslaagd of niet, ook nog iets anders probeerden dan alleen maar de eigen biografie tussen twee kaften te krijgen.

De lezer inlichten over feiten achter de fictie hoort erbij, zeker als de auteur zelf er zo direct naar verwijst als Storm deed in zijn roman. Maar dan nog is het boek niet het leven.

Reacties: ombudsman@nrc.nl