Zoek de overeenkomst tussen Woolf en haar nicht

Quentins verhaal is verteld, nu is zijn zusje Angelica aan de beurt. Maar niet helemaal – want weer is Quentin de verteller, in April is de wreedste maand. Het is Rindert Kromhouts tweede jeugdroman over de Bloomsbury Groep, de artistiekelingen rond schrijfster Virginia Woolf. Quentin en Angelica zijn haar neefje en nichtje.

Over Quentins heerlijke leven lazen we in Soldaten huilen niet (2011), dat twee jeugdboekenprijzen won. Die roman kwam wel laat op stoom en dat heeft Kromhout nu willen ondervangen: de vermissing van Virginia Woolf in april 1941 vormt de ruggengraat. Tussendoor lezen we flashbacks over Angelica’s leven.

Die opbouw suggereert een thematische overeenkomst tussen hun levens. Die belofte wordt pas in de ontknoping enigszins ingelost, voor zover de biografische feiten dat toelieten. Tot die tijd zien we vooral hoe Angelica lijdt onder de al te grote vrijheid, dus: aandachtstekort. Haar isolement blijkt als schoolvriendinnetjes haar Alice in Wonderland-referentiekader niet blijken te delen en ze thuis haar droom om kokkin te worden niet kan uitspreken. ‘Mensen die niet regelmatig een pen of penseel hanteerden, namen we niet serieus,’ laat Kromhout Quentin noteren.

Dat dubbele perspectief – Angelica’s verhaal door Quentins ogen – blijft jammerlijk onbenut: het had voor spannende wrijving in zienswijzen kunnen zorgen. Jammer: daardoor houdt April is de wreedste maand dezelfde distantie als waar de personages zo onder lijden. Dat de nadruk gaandeweg minder op Angelica en meer op Virginia komt te liggen, maakt het onbevredigend, een fictieve dubbelbiografie die focus mist, waaruit geen stem oprijst. ‘Ongrijpbare mensen’, noemt Kromhout de Bloomsbury’s in het nawoord, en dat nekt hem.

Thomas de Veen