Wat doe je daadwerkelijk in het uur van de waarheid?

Bijna iedereen bezit het, alleen sommigen meer dan anderen: het vermogen om in een bepaalde situatie recht en onrecht te onderscheiden. De Leidse jurist Rudolph Cleveringa (1894-1980) was iemand bij wie zo’n moreel kompas maximaal was ontwikkeld. Op 26 november 1940 hield hij met gevaar voor eigen leven een beroemd geworden protesttoespraak tegen het gedwongen ontslag van zijn Joodse collega-hoogleraar E.M. Meijers.

Hoe anders was het gesteld met de talentvolle Duitse jurist Roland Freisler (1893-1945), die in de jaren twintig een succesvolle advocatenpraktijk runde. In de oorlog zou hij als intimiderende president van het door Adolf Hitler opgerichte Volksgerichthof duizenden onschuldige burgers ter dood veroordelen. De geluidstechnici van de rechtszaal waarin hij zijn vonnissen uitsprak, of liever: uitschreeuwde, hadden moeite om de tirades van deze rasende Roland verstaanbaar vast te leggen.

Cleveringa en Freisler: twee leeftijdgenoten, twee briljante juristen. Maar juist als je ze naast elkaar plaatst, wordt duidelijk hoezeer zij op een cruciaal punt – namelijk dat van het morele kompas – van elkaar verschilden. De vergelijking leidt tot het inzicht dat moraliteit niets te maken heeft met wat je zegt dat je gaat doen, maar met wat je in het uur van de waarheid daadwerkelijk doet.

Het vergelijken van mensen, boeken of ideeën die een klein beetje op elkaar lijken, is volgens cynici een dubieuze bezigheid: je kunt nu eenmaal geen appels met peren vergelijken. Toch is dat precies wat schrijver en jurist Maarten Asscher in de bundel Appels en peren. Lof van de vergelijking op aanstekelijke wijze heeft gedaan. In tweeëntwintig mooie essays toont hij aan dat historische vergelijkingen juist een effectief hulpmiddel kunnen zijn, niet alleen om een bepaalde gedachte te verduidelijken, maar ook om tot originele inzichten te komen. Hierbij komen de meest uiteenlopende duo’s langs: van ‘ideale schoonzonen’ Hamlet en Telemachus tot ‘opgravers’ Sigmund Freud en Heinrich Schliemann. Van (eventuele) zelfmoordenaars Primo Levi en de Japanse kamikaze-generaal Ónishi Takijiró tot ‘gevangen schrijvers’ Oscar Wilde en Marcel Proust. En in één essay speelt Asscher zelf de hoofdrol – naast Napoleon, jazeker.

Zoals Asscher zelf schrijft, zeggen historische vergelijkingen ook veel over de maker ervan. Asscher is het niet te doen om klinkende statements. Liever mijmert hij over thema’s als sterfscènes in de literatuur, schrijven in gevangenschap, de schoonheid van Italië, of het verschil tussen calvinistische en mediterrane boeken. Appels en peren zou je zelfs ook een beetje mediterraan kunnen noemen. De essays zijn geen strakke, rechtlijnige theses met keiharde conclusies, maar door de veelheid aan ideeën, mooie details en anekdotes is deze bundel wel uitermate geschikt om rustig – bij voorkeur in de zon, aan een Italiaans meer – tot je te nemen en te overdenken. Eigenlijk jammer dat het vlak voor de winter is verschenen.

Jaap Cohen