Vergaderen over betere olie

Palmolie en soja zitten overal in. Vaak is er tropisch regenwoud voor verdwenen. Handelaren en producenten praten samen over oplossingen.

Greetje Schouten: „ Het scheelt dat Unilever merknamen hoog te houden heeft. In vlees heb je die minder.” Foto Olivier Middendorp

Het chocolaatje bij de koffie in de Hortus Amsterdam is duurzaam. Dat heeft Greetje Schouten (31) onmiddellijk gezien. „Deze cacao is zelfs biologisch én fairtrade”, zegt ze tevreden, wijzend op de logo’s op het wikkel. Zelf let ze er altijd op of de producten die ze koopt duurzaam zijn geproduceerd. Maar dat valt niet mee. Want wat weet je als er palmolie of soja als ingrediënten zijn gebruikt? Het verbouwen daarvan gaat vaak ten koste van natuur; ook worden arme boeren nogal eens uitgebuit. Maar niet altijd.

Op die twee tropische landbouwgewassen richt zich het zojuist voltooide promotieonderzoek van Schouten. „Palmolie zit ongemerkt in de helft van de producten in de supermarkt”, zegt ze, „In zeep, koekjes, wasmiddelen. Op het etiket is dat niet te zien. Hooguit staat er dat het product ‘plantaardige olie’ bevat. Soja is voor consumenten vaak al helemaal onzichtbaar. Het wordt gebruikt als veevoer, maar op een hamlapje staat nergens dat het varken soja gegeten heeft.”

Schouten deed bestuurskundig onderzoek naar zogeheten rondetafelorganisaties: grote internationale vergaderingen van producenten, handelaren, afnemers en maatschappelijke organisaties, die tot doel hebben de productie van meestal tropische landbouwgewassen duurzaam te maken. In het geval van palmolie en soja gaat het dan vaak over de aanleg van nieuwe plantages, omdat die ten koste gaan van oorspronkelijk regenwoud of andere natuur. Maar ook zaken als eerlijk loon, kinderarbeid en het werken met gevaarlijke bestrijdingsmiddelen komen bij de Ronde Tafels ter sprake. De organisaties maken afspraken met bedrijven en geven certificaten uit die een duurzame productie moeten garanderen. Het is een privaat initiatief, overheden praten niet mee.

Schouten onderzocht het functioneren van de Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie (RSPO) en de Ronde Tafel voor Verantwoorde Soja (RTRS) aan de hand van observaties en interviews met meer dan zestig betrokkenen. Op de dag van haar promotie, 4 november, zond onderzoeksfinancier NWO een persbericht uit met de sombere kop: ‘Ronde Tafels voor duurzame landbouw zijn niet in staat duurzaamheidsproblemen fundamenteel aan te pakken’.

Hoewel ze de tekst al meermalen had gezien, is Schouten achteraf geschrokken van de uitwerking: „Op internet, twitter en discussiefora werd heel selectief geciteerd”, zegt ze, nog steeds een beetje ontdaan. De indruk werd gewekt dat nu wetenschappelijk was aangetoond dat rondetafelgesprekken niets hadden opgeleverd. „Dat is een beetje ongelukkig”, zegt Schouten. „Het ligt veel genuanceerder. Die rondetafels hebben heel wat in gang gezet; duurzaamheid is echt op de agenda gekomen. Maar het doel om de gehele industrie te verduurzamen, is nog lang niet gehaald.”

Wat is dan precies de winst van de rondetafels?

„In veel bedrijven is er echt iets veranderd. Op zijn minst is het onderwerp bespreekbaar geworden voor de industrie. In Maleisië en Indonesië beginnen overheden het nu ook op te pakken. Misschien gaan de maatregelen van rondetafels niet altijd ver genoeg, maar het is wel een manier om als industrie je verantwoordelijkheid te nemen. Als het gaat om het behoud van het bos gaat dit niet de oplossing bieden. De aanleg van plantages is namelijk niet de enige bedreiging die een rol speelt.”

Is de kritiek van milieuorganisaties op de rondetafelgesprekken dan niet terecht?

„Tegenstanders vrezen dat grote bedrijven met deze initiatieven alleen maar goede sier willen maken, terwijl in werkelijkheid niets verbetert aan de duurzaamheid. Een zwak punt is de vrijwilligheid. Bedrijven die niet geloven in duurzaamheid, doen eenvoudigweg niet mee. De leden van de RSPO leveren bijvoorbeeld samen slechts 40 procent van de wereldproductie. En zelfs daarvan is maar een gedeelte gecertificeerd als duurzaam; 15 procent van de wereldproductie. Dat betekent dus dat er heel wat leden zijn die hun eigen standaard niet naleven. De rondetafels krijgen dan ook te horen dat ze veel te vrijblijvend zijn. Maar het is een lastige positie; het is niet handig om mensen uit te sluiten, als het doel is om de hele industrie mee te krijgen.

„Andere kritiek is dat rondetafels vooral het belang van zeer grote bedrijven dienen. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Milieuorganisaties zeggen dat grootschaligheid niet duurzaam kan zijn omdat het een monocultuur levert die slecht samengaat met natuurwaarden.”

Hoe duurzaam is de productie van soja en palmolie dan nu?

„In de palmolie is de invloed van de rondetafel sterker dan in de soja. Dat is onder andere te danken aan de voortrekkersrol van Unilever, een van de grootste afnemers van palmolie en vanaf het begin voorzitter van de ronde tafel. Het scheelt dat Unilever merknamen hoog te houden heeft. Soja wordt voornamelijk verhandeld door grote graanbedrijven, die veel meer buiten het zicht van de consument werken. In vlees heb je minder merknamen. Dat deze rondetafel minder succesvol is, komt dus in mijn ogen hoofdzakelijk doordat de bedrijven er in economische zin veel minder belang bij hebben te verduurzamen.

„Volgens de RSPO is nu 15 procent van de palmolieproductie duurzaam; dat is veel in vergelijking met andere sectoren. Maar het betekent natuurlijk ook dat 85 procent van de palmolie nog steeds op dezelfde niet-duurzame wijze geproduceerd wordt. Die gaat vooral naar China, India, Pakistan en Indonesië zelf. Daar is vaak nog helemaal geen vraag naar duurzame productie . Het gebeurt nu dat gecertificeerde producenten slechts de helft van hun palmolie als duurzaam verkocht krijgen. De rest moet noodgedwongen als ‘gangbaar’ worden verkocht, zonder de premie die de producent voor duurzame olie krijgt. Daar zit nog wel een probleem.”

Hoe gaat het er bij rondetafelconferenties eigenlijk aan toe?

„Het zijn enorme vergaderingen van honderden afgevaardigden van bedrijven en belangenorganisaties. Zo’n bijeenkomst duurt meestal drie dagen, waarbij op de laatste dag besluiten worden genomen. Ik bezocht zelf in 2009 de rondetafel over duurzame soja in Campinas, Brazilië, en die voor duurzame palmolie in Kota Kinabalu, Maleisië, in 2011. Er wordt weleens over geschamperd dat ze altijd georganiseerd worden in vijfsterrenresorts. Maar het belangrijkste speelt zich af buiten de conferentiezalen. Je ziet steeds kleine groepjes zich afzonderen voor een gesprek waarin iets uitonderhandeld wordt.”

Er zitten opvallend veel Nederlanders bij deze rondetafelgesprekken. Hoe komt dat?

„Ja, dat is mij ook opgevallen. Met Rotterdam als grote doorvoerhaven voor het Europese achterland is Nederland mondiaal een van de grootste importeurs van soja en palmolie. De organisatie van rondetafelgesprekken met heel veel verschillende belanghebbenden past helemaal in het Nederlandse poldermodel. Rondetafelorganisaties zijn vooral westerse initiatieven, want de vraag naar duurzaamheid komt van de marktkant, niet van de producenten.”

Zit er ook een element in van schuldbesef, over het koloniale verleden?

„Dat is een gevaarlijke vraag. Maar het verleden speelt soms wel een rol. Juist de producenten zien duurzaamheidsinitiatieven soms als neokolonialistisch. Dan reageren ze met: ‘daar heb je ze weer met hun regels’ of: ‘jullie hebben toch zelf ook geen oerbos meer?’

„Ik denk dat het een heel legitiem standpunt is dat deze landen hun soevereiniteit willen bewaken. Ze zeggen dat ze de export van deze landbouwproducten ook nodig hebben om de armoede in hun land te bestrijden.”

Hoe nu verder?

„In de palmolie zijn ook nog heel veel kleine boeren, in Indonesië bijvoorbeeld leveren zij wel 40 procent van de productie. Over het algemeen hebben deze kleine boeren een veel lagere productie dan de grote plantagebedrijven. Daar zit dus nog wel wat ruimte als de mondiale vraag naar palmolie blijft toenemen. De groei hoeft dan niet te komen uit de aanleg van nieuwe plantages.”