Supervleugels aan mijn shirt

Vandaag fluit ik het tweede elftal van een plaatselijke voetbalclub, maar ze hadden me net zo goed een wedstrijd in de Eredivisie kunnen geven. Ik loop goed, kijk goed, fluit goed. Vandaag zie ik alles.

„Scheids, wissel!” Het staat, met nog een kwartier te spelen, 0-0. Team 1 besluit een extra spits in te brengen. Ik draaf naar de zijlijn, controleer het pasje van de nieuweling en zie dat het in orde is.

„Dek die gozer nou eens!”, roept de keeper van Team 2 tegen zijn verdedigers. De net in het veld gekomen speler weet steeds aan de aandacht van zijn bewakers te ontsnappen.

Nog tien minuten te gaan. De behendige spits loopt vrij, krijgt de bal toegespeeld en spurt nu in zijn eentje op het voor hem vijandelijke doel af.

En ik? Ik sta weer eens bovenop de situatie. Zo’n dag is het. De spits dribbelt het strafschopgebied binnen en botst op de keeper. Met een theatrale kreet – terwijl de bal naast rolt – stort de spits ter aarde. Ik fluit. Penalty? Nee. Gele kaart, voor de spits. Een schwalbe noemen we dat, op de grond gaan liggen om een strafschop uit te lokken. Team 1 is boos – woedend zelfs – maar ik weet het zeker. Vandaag weet ik álles zeker. En ik stond er toch met m’n neus bovenop?

De bal rolt weer. De theatermaker, die net nog zo verontwaardigd was als een kleuter die zijn zin niet krijgt, loopt vlak achter me langs en zegt in het voorbijgaan: „Goed gezien hoor, scheidsie.” Ik dans – nee, ik vlieg over het veld. Aan mijn shirt zitten twee onzichtbare supervleugels die me overal op tijd laten zijn.

Nog vijf minuten te gaan. Een aanval van Team 2, ik zweef mee en sta weer eens precies goed opgesteld om exact op het juiste moment buitenspel te constateren.

„Nee, scheids, echt niet!”, probeert de speler die buitenspel stond nog, maar ik zie aan zijn gezicht dat ook hij weet dat ik vandaag de beste man op het veld ben en het met mijn briljante positie en dito haviksogen weer eens perfect heb kunnen beoordelen.

Nog een halve minuut te gaan. Een hoekschop voor Team 1, het allerlaatste wapenfeit. De bal komt hoog voor, belandt op een hoofd en vliegt richting het doel. Onderkant lat, de bal stuitert omlaag. Op of voor de lijn. Of achter de lijn.

„Scheids!” Heel Team 1 heeft gezien dat het een doelpunt is. Ik fluit voor het einde van de wedstrijd en blijf nog een kwartier lang liegen dat ik duidelijk heb kunnen waarnemen dat de bal de lijn niet geheel passeerde.

Later, in mijn kleedkamer, trek ik mijn bezwete shirt uit en gooi het op de grond. Vandaag zag ik alles, werkelijk alles. Op één cruciaal moment na. Ik kijk naar de grond. De vleugels zijn verdwenen.