Column

Steeds méér winst – dat moet je niet willen

Nadat het tijdschriftenconcern Sanoma al eerder in de problemen was gekomen en zich gedwongen zag af te slanken door een groot aantal titels af te stoten, was het deze week de beurt aan de Weekblad Persgroep (WPG) om bekend te maken dat de resultaten dusdanig tegenvallen dat een forse reorganisatie onvermijdelijk is. In dit laatste geval voel ik mij persoonlijk betrokken, want mijn uitgeverij, De Arbeiderspers, maakt – evenals de meeste, grote uitgevershuizen – deel uit van WPG. En omdat ik het proces van nabij heb gevolgd, weet ik ook wat er is misgegaan.

De uitgeverijen zijn niet het probleem. De Arbeiderspers doet het uitstekend, weet ik. Ook De Bezige Bij maakt al jaren mooie winst. Van de andere weet ik het niet zo gedetailleerd, maar ik heb nooit vernomen dat er bij een van hen structurele verliezen worden geleden. Het probleem is dat zij sinds een aantal jaar zijn opgegaan in WPG en dat hun winsten worden afgeroomd om de tegenvallende resultaten van de tijdschriftendivisie te dekken en om de enorme, langlopende schuld van het concern te voldoen.

Het grootste probleem is dat de fusie met WPG een fundamentele cultuuromslag teweeg heeft gebracht. De klassieke uitgeverijen zijn weliswaar altijd commerciële bedrijven geweest, maar het beleid was van oudsher vooral gericht op continuïteit. Natuurlijk moest er geld worden verdiend om goede mensen in dienst te houden en de kosten te dekken, maar het hoofddoel was om ieder jaar weer een aantal mooie boeken uit te geven. Onder de knoet van WPG hebben de uitgeverijen te maken gekregen met onrealistische winstverwachtingen en de noodzaak om te groeien. Ze werden gedwongen ongebreideld winstbejag op de eerste plaats te zetten. Daardoor zijn ze de markt gaan overvoeren met een stortvloed aan potentiële bestsellers van matige kwaliteit. Alsof je een schot hagel lost in het donker, in de hoop een konijn te raken. En daarmee hebben ze hun eigen markt verziekt.

De uitgeverijen moeten terug naar het oude model van kleinschaligheid en continuïteit. Natuurlijk moeten ze winst maken, of in elk geval quitte spelen. Maar waarom zouden ze elk jaar méér winst moeten maken?

Het is een businessmodel dat voor de hele culturele sector zou moeten gelden. Het hoofddoel is om mooie dingen te maken en om genoeg geld bij elkaar te krijgen om dat volgend jaar weer te doen. Het doel is niet om rijk te worden.

Ook buiten de culturele sector zou het heel heilzaam kunnen zijn continuïteit boven winstbejag te stellen. De meeste winkeltjes in Italië werken zo. Je verkoopt spulletjes en na aftrek van de kosten kun je ervan eten, drinken en leven. Wat is er mooier dan dat? Waarom zou je dan nog méér moeten willen?