Slim ontsnappen aan een Duits doodvonnis

Een Russische soldaat ontsnapt uit een Duits kamp in WO I. En dan blijken leven en dood even verbonden als goed en kwaad.

Russische krijgsgevangenen bij Novo-Georgievsk in Oekraïne in 1915 Spaarnestad/Hollandse Hoogte

Arnold Zweig was een veelbelovende jonge schrijver toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak: tegelijk met de prestigieuze Kleist-prijs ontving hij zijn oproep voor militaire dienst. Hij overleefde de loopgraven bij Verdun en werd in 1917 overgeplaatst naar de persafdeling van de legerleiding in het oosten van het Duitse rijk, dat wil zeggen in de op Rusland veroverde gebieden. Daar hoorde hij een geschiedenis over een Russische gevangene die hem inspireerde tot zijn grote roman De strijd om sergeant Grisja. Zweig (1887-1968) zou die roman pas tien jaar later schrijven doordat hij na de oorlog met een schrijfblokkade kampte, waarvan hij zich met behulp van psychoanalytische inzichten bevrijdde (hij voerde een uitgebreide correspondentie met Freud).

Woudlopersromantiek

De hoofdpersoon van het boek is Grigori (Grisja) Iljitsj Paprotkin, ‘opvallend heldere, intens grijsblauwe ogen’ in een rechtschapen gezicht, sergeant in het Russische leger, ook bekend als krijgsgevangene nummer 173 in een Duits kamp in westelijk Rusland. Na zestien maanden gevangenschap wil hij ontsnappen, naar huis, naar vrouw en kind. Zijn medegevangenen verklaren hem voor gek omdat het kamp in een uitgestrekt woud ligt én omdat er hoop gloort: het is voorjaar 1917, in oorlogsmoe Sint-Petersburg is de revolutie uitgebroken, niet de tsaar maar burgers regeren nu, en die zullen vast snel vrede met Duitsland sluiten. Maar Grisja houdt het tussen prikkeldraad geen dag langer uit en ontsnapt.

‘Hij had gedacht te weten wat een bos was; een vergissing, zoals bleek, en geen kleine ook.’ Verrukkelijke bladzijden woudlopersromantiek zijn gewijd aan de overlevingstocht van de dappere sergeant, die wordt beslopen door een lynx. Grisja stuit op een vogelvrije bende, waarvan de hoofdman een vrouw blijkt te zijn. Ze delen het bed. Opdat hij veilig door de Duitse linies kan gaan, geeft de vrouw hem het naamplaatje van een dode Russische soldaat. De bedoeling van deze persoonsverwisseling is dat hij zich, mochten de Duitsers hem oppakken, voor een deserteur kan uitgeven. Wanneer de Duitsers hem inderdaad arresteren, blijkt dit een rampzalig plan en hij dreigt als spion gefusilleerd te worden.

Ook nadat Grisja zijn ware identiteit heeft bewezen, weigert de opperbevelhebber het reeds getekende doodvonnis te herroepen: waarom moeite doen voor een Rus, als er iedere dag duizenden mannen worden geofferd voor de Duitse zaak? De divisiegeneraal, een Pruis, even punctueel als protestant, brengt daartegen in: waarom mannen offeren voor Duitsland, als onze staat niet op recht gebaseerd is? Er volgt een machtsstrijd, met Grisja’s leven als inzet.

Zweig geeft de gebeurtenissen weer via een alwetende verteller – ook in 1927, het jaar van publicatie, al conventioneel –, die het perspectief verleent aan een hele stoet hoofd- en bijpersonen, met inbegrip van de hongerige lynx in het bos. Ze worden kleurrijk en, met al hun zwakheden, liefdevol getekend: Grisja, die het respect en de sympathie van zijn Duitse bewakers wint, de wakkere eerste luitenant Winfried, die zijn vurigste beschermer is, de breedsprakige militaire rechter Poznanski, geassisteerd door de Joodse soldaat en schrijver Bertin, in wie we Arnold Zweig zelf herkennen, de vriendinnen Bärbe en Sophie, beiden van goeden huize, maar door naastenliefde geroepen om met hun engelachtig gezicht onder het verpleegsterskapje de laatste ogenblikken van een regiment rochelende, ijlende soldaten te verlichten, de aristocratische divisiegeneraal Von Lychov en daartegenover de geniale, niemand ontziende generaal-majoor Schieffenzahn, gekweld door zijn eenvoudige afkomst.

Terwijl we met de personages meeleven, leren we meteen een les over de machinaties achter de coulissen, over het verborgen spel van militaire politiek en industriële belangen. Het besef dat hooggeplaatste personen belang hadden bij verlenging van een uitzichtloze strijd drong in 1917 in alle Europese loopgraven door. De kameraadschap tussen Grisja en zijn bewakers is mede het gevolg van opwellingen van verbroedering in de internationale arbeidersklasse.

Morele inhoud

De grote kracht van De strijd om sergeant Grisja zit in de personages, die je bijblijven, in de hechte structuur en de subtiele humor, maar vooral in de sprekende details die Zweig met meesterhand over het verhaal heeft uitgestrooid. Een voorbeeld: in de gevangenis poetst Grisja het geweer van een Duitse korporaal, wat zijn soldatenhart oprecht goed doet, en als hij een oefenbajonet tegen de wand ziet staan, begint hij ‘als een spelende jongen blakend van ijver uitval na uitval van het Russische bajonetreglement te repeteren’, toegejuicht door de Duitsers.

De roman was meteen bij verschijning een groot succes, zij het niet zo daverend als Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Remarque, een jaar later. Hoe voortreffelijk Remarque, met zijn fijne neus voor sentiment, ook schreef, ik geef toch de voorkeur aan Zweigs wijsgerige distantie, zijn drastische objectiviteit, zijn onuitgesproken waarneming dat goed en kwaad even onverbrekelijk verbonden zijn als leven en dood. Zijn boek heeft een diep morele inhoud, maar niet de behoefte de lezer ergens van te overtuigen. De strijd om sergeant Grisja is een fenomenale roman, en het slot behoort tot het indrukwekkendste wat ik ooit gelezen heb.