Roofdier in een vallei vol konijnen

De voormalige pooier Charles Manson sloeg in de roerige jaren zestig als sekteleider aan het moorden. Actrice Sharon Tate werd een van zijn slachtoffers. Wie was hij, wat dreef hem en wat drijft hem nu?

Hoe hip is Charles Manson nog? De 78-jarige communeleider die een levenslange straf uitzit in Californië, krijgt nog steeds post van bewonderaars. Soms antwoordt hij, vooral als de afzender geld heeft bijgesloten voor hem, of een donatie aan zijn milieustichting ATWA.

Manson en zijn ‘Family’ van dweepzieke, gedrogeerde tieners die dachten dat hij Jezus was, horen onlosmakelijk bij de iconografie van de jaren zestig. De moorden die de groep op zijn instigatie pleegden in Los Angeles gelden als de apotheose van het peace-and-love-tijdperk. Mansons aanhangers vermoordden op twee dagen in augustus 1969 actrice Sharon Tate, echtgenote van Roman Polanski, en zes anderen. Later die maand viel nog een slachtoffer. Niet uitgesloten is dat de groep bij meer, onopgeloste moorden betrokken was.

Hun motief: de ‘rituele’ moorden (de daders schreven met bloed van hun slachtoffers kreten op muren en een koelkast) zouden worden toegeschreven aan de Black Panthers en zo een rassenoorlog ontketenen. Waarna de blanke Manson-sekte de macht zou kunnen overnemen.

Dat idee klinkt nu getikter dan toen: na de moord op Martin Luther King in 1968 braken in de zwarte wijken van veel Amerikaanse steden hevige rellen uit, wat de angst voor een ‘rassenoorlog’ voedde. Manson werd in die boodschap gesterkt door The White Album van The Beatles, met songs als ‘Revolution Number 9’ en ‘Helter Skelter’, wat voor hem de naam werd van de komende chaos.

Maar de oorlog brak niet vanzelf uit, en zoals andere goeroes stond de criminele psychopaat Manson onder steeds zwaardere druk om de in zijn groep gewekte verwachtingen waar te maken: waar bleef de revolutie? De moorden zouden de vonk in het kruitvat zijn. Bovendien zouden ze de aandacht afleiden van een andere moord in zijn opdracht, waarvoor al een van zijn mannelijke meelopers was aangehouden.

Op de achtergrond speelde persoonlijke wrok van Manson, die na een loopbaan als kruimeldief en pooier zijn zinnen had gezet op een nieuwe start als singer-songwriter. Zijn volgelingen geloofden er hartstochtelijk in. Met dank aan de losse tijdgeest, en de seksuele diensten van zijn meisjes, kreeg hij toegang tot het hippe circuit van popsterren. Beach Boy Dennis Wilson bood de groep onderdak in zijn landhuis, Neil Young deed een goed woordje voor hem. Maar van een platencontract kwam niets terecht – tot Mansons diepe frustratie. Zijn heilsboodschap sloeg om in een gewelddadig, apocalyptisch visioen. Sharon Tate en de haren betaalden de prijs, in haar huis dat eerder was bewoond door muziekproducer Terry Melcher, een van Mansons contacten.

Twee boeken over de zaak waren tot nu toe onmisbaar: de bestseller Helter Skelter (1974) van Vincent Bugliosi, de openbare aanklager die Manson achter de tralies wist te krijgen, en The Family (1971) van dichter Ed Sanders, een bevlogen kroniek van de handel en wandel van Mansons commune. Het laatste boek maakt de gekte van die jaren bijna tastbaar.

Wat ontbrak was een compacte biografie van Manson waarin het verhaal zakelijk uit de doeken wordt gedaan. Met Manson heeft Jeff Guinn, die eerder publiceerde over Bonnie en Clyde, een geslaagde poging gedaan dat boek te schrijven. Het is een betrouwbare geschiedenis, met veel feiten over Mansons jeugd (én nieuwe foto’s van zijn biologische familie). Zijn moeder dronk en verwaarloosde hem, maar minder dan hij zelf later beweerde.

Op basis van zijn bronnen, onder wie een zus en een nicht van de gewelddadige messias, schildert Guinn Manson (die niet aan het boek meewerkte) als een charismatische opportunist. Zijn gevolg bestond veelal uit meisjes, weglopertjes uit suburbia die snakten naar diepzinnigheid of gewoon naar iemand die zei dat ze mooi en bijzonder waren. Manson ‘deprogrammeerde’ hen met een cocktail van lsd, groepsseks, zelfontplooiingspsychologie en messianistische wartaal.

Geloofde hij in zijn eigen fantasieën? Guinn houdt het erop dat Manson anderen zo goed kon overtuigen omdat hij eerst zichzelf overtuigde.

Maar Manson wist ook wat hij deed. Hij wantrouwde de intelligentere leden van zijn commune en weerde sceptici (‘Jij bent te slim’). Hij bleef zijn contacten in de onderwereld onderhouden. Trouwens, Manson haatte hippies. Hij was eerder een misogyne en racistische lover boy: de meisjes kookten, stonden klaar voor seks, kregen klappen – en moesten moorden. Zo werd zijn ‘familie’ Mansons wraak op een samenleving die geen plaats voor hem had.

Op het boek is wel wat aan te merken. Guinn merkt zelf al op dat hij ‘niet de beste schrijver’ is, en dat getuigt van zelfkennis; Manson is helder maar ook bleek geschreven. Wie proza met vleugels wil, moet in het boek van Sanders duiken.

Ook maakt Guinn een deel van de ondertitel van zijn boek, de tijden van Manson’, niet helemaal waar. Hij wisselt de biografische feiten weliswaar af met schetsen van de maatschappelijke onrust die Amerika beheerste, maar pas op de laatste pagina’s buigt hij zich over de hamvraag: was Manson een ‘product’ van de jaren zestig?

Zijn bondige antwoord is: ja, maar ook van de jaren vijftig, veertig en dertig waarin hij opgroeide. Manson was een criminele con man zoals die veel vaker in de Amerikaanse geschiedenis voorkomen. Maar toch: eind jaren zestig, in de goedgelovige Californische subcultuur van hippies en mystici, viel een ontspoord manipulatief talent als Charlie wél in een warm bad. ‘De hippiebeweging was een vallei vol konijnen, omringd door jakhalzen’, schreef Ed Sanders al. Guinn noemt Manson een ‘sociaal roofdier’, en ‘de verkeerde man op de juiste plaats in de juiste tijd’.

Ook lang daarna bleef hij een cultfiguur. Een incarnatie van de onmaatschappelijke outlaw die sinds Jesse James (ook al een gewetenloze moordenaar) een verontrustende figuur is in de Amerikaanse populaire cultuur. Volgens Sanders verdient hij aan de verkoop door fans van zijn tekeningen, T-shirts en gesigneerde foto's.

Helaas gaat Guinn niet in op die Nachwuchs van Manson en behandelt hij diens jaren in de cel maar summier. Zo lezen we dat hij zich inzet voor het milieu, gitaar speelt, en een liefhebber is van John Wayne. Spijt heeft hij nooit betuigd: hij liet anderen immers doen ‘wat ze zelf wilden’. Bovendien, zei hij ooit, spijt is ‘een woord in jullie wereld dat ik niet begrijp’.