Nachten vol verrukkingen in niet-wakende toestand

Lees uitgebreid in een nuchter boek over uw naaktdromen, uw examendromen, over de kleur in uw dromen, en uw nachtmerries.

Als onze grootste schrijver zal hij de geschiedenis niet ingaan: Frederik van Eeden (1860-1932), bekend van zijn roman De kleine Johannes. Op ander gebied mogen we hem nationaal kampioen noemen. Hij was ‘een sterk en machtig droomer’, zoals hij zelf terecht schreef, en hield vanaf 1875 tot vijf jaar voor zijn dood een droomjournaal bij. Van Eeden was tevens psychiater, theoretiseerde en publiceerde over de droom, hield er voordrachten over en verwerkte zijn droomwereld in de niet bijster briljante, maar hoogst interessante roman De nachtbruid (1909).

Dat Frederik van Eeden een van beide meest geciteerde autoriteiten is in Douwe Draaisma’s De dromenwever hoeft ons dus niet te verbazen. Een andere grootmeester in dit boek over de geschiedenis van de droomvorsing is natuurlijk Sigmund Freud (1856-1939), auteur van de klassieker Die Traumdeutung (1900).

We hebben hier te maken met uiteenlopende ervaringsdeskundigen. Van Eeden vond Freud met diens aandacht voor het onderlijf als droombron aanvankelijk zelfs een ‘ploert’, maar een koffieontmoeting deed dit omslaan in grote bewondering. Van Eeden zelf zag dromen meer in de sfeer van contactkansen tussen deze wereld en een andere, bijvoorbeeld die waarin zijn overleden zoon Paul naar zijn overtuiging verbleef.

Van Eeden was bij de verschijning van Freuds Traumdeutung al 25 jaar zijn dromen aan het noteren. Kennelijk een louterende ervaring. Zijn boekje Pauls ontwaken (1913) getuigt ervan, maar ook in het algemeen kon hij enorm van dromen genieten. Ik vond eens een enigszins jaloerse getuigenis dat hij ’s ochtends (altijd iets te laat) op een redactievergadering van het Tachtigers-tijdschrift De Nieuwe Gids (met onder anderen Willem Kloos en Albert Verweij) komt binnenlopen alsof hij net uit een betere wereld is gestapt. ‘Een weelde aan verrukkingen, wier glans na blijft stralen dwars door het lichtste daglicht heen’, zo schreef hij in De nachtbruid. Het was aan zijn gezicht af te lezen.

In 1913 hield Van Eeden in Londen een lezing voor de prestigieuze Society for Psychical Research, waarin hij een dromenclassificatie voorstelde, negen categorieën, van A-I. Klasse E is gereserveerd voor de ‘heldere droom’. Van Eeden had ‘heldere dromen’. We vinden de omschrijving van dat fenomeen in De nachtbruid terug: ‘Noodig was: waarneming, attentie, zelfbesef – ook in den droom. Ik wilde dus vooral, terwijl ik droomde, weten dat ik droomde, den herinneringsband met het dagleven niet verliezen.’ Dat kan in een lucid dream, zo vertelde Van Eeden in Londen. Hij zou hier mee de naamgever van dit droomtype worden, al zegt Douwe Draaisma – terecht lijkt me – dat Van Eedens enorme bijdrage aan het internationale droomonderzoek verder wordt onderschat.

Over dat droomonderzoek schreef Douwe Draaisma zijn De dromenwever. Een typisch Draaismaboek. Goed geschreven, geestig soms, hoogst informatief, en altijd over het grensgebied tussen psyche en fysiek. We lezen over vliegen en zweven in dromen, naaktdromen, examendromen, profetische dromen, over de kleur in dromen, erotische dromen en nachtmerries.

Interessant is ook het dromen van blinden. Draaisma voert een bekende ervaringsdeskundige op: Vincent Bijlo. ‘Mijnheer Bijlo, u droomt zeker in een hoorspel?’ Nee dus. ‘Ik droom in de zintuigen die mij dagelijks ter beschikking staan. Dus ik droom in tast, in gevoel, in reuk, in geluiden.’ Heldere dromen heeft Bijlo ook. ‘Ik weet dat je luciditeit tot op zekere hoogte kunt beheersen. Je moet bijvoorbeeld proberen in je droom een vinger door je hand te steken. Als dat lukt weet je dat je droomt.’

We leven in een wereld na Van Eeden en na Freud, waarin dankzij MRI-scans, slaaplaboratoria en moderne medicatie het fysieke slaap- en droomonderzoek een hoge vlucht heeft genomen. Draaisma beschrijft het uitgebreid, nuchter en helder. Die wereld is een stuk minder romantisch, dat spreekt. De vraag waarom we dromen en met welke hersenafdelingen precies, doet echter niets af aan de romantische taferelen die we in niet-wakende toestand meemaken. Om met Van Eeden te spreken: ‘Zoo fijn en scherp, dat men het bij geen zintuiglijke waarneming van den dag kan vergelijken.’