Met hard blaffen maakt VVD Europa beter ‘verkoopbaar’

Vanaf begin jaren negentig groeide in de VVD het wantrouwen over Europa.

VVD’ers kunnen wel lachen om pesterige variaties op hun slogan voor de Europese verkiezingen in mei. ‘Europa, of heeft u een beter idee?’ Of: ‘Europa: sorry, maar het moet.’ Toch klinkt de échte versie niet veel minder defensief: ‘Europa waar nodig.’

Morgen zal het partijcongres van de VVD het Europese verkiezingsprogramma vaststellen. Maar nog voor die campagne is begonnen, werd afgelopen tijd het voortdurende ongemak van de partij met de Unie zichtbaar.

VVD-Kamerlid Mark Verheijen liet zich verlokken tot de uitspraak dat de leider van de Europese liberalen Guy Verhofstadt gevaarlijker voor Europa was dan anti-Europeanen als PVV-leider Geert Wilders en de extreemrechtse Marine Le Pen, leider van het Franse Front National. Verheijen moest excuses maken, VVD-prominent Frits Bolkestein steunde hem, waarna eurocommissaris en VVD’er Neelie Kroes nog eens zei dat Verheijen schade had berokkend door populisme met populisme te bestrijden.

De liberalen hebben een lange weg afgelegd. In het begin van de jaren tachtig schreef de partij nog over Europese eenwording en de wenselijkheid van snelle overdracht van nationale bevoegdheden aan Brussel. In 1989 vond de partij nog dat het programma van de Europese Liberalen even bepalend moest zijn voor het handelen van VVD’ers in Nederland als het eigen partijprogramma.

Begin jaren negentig zette toenmalig partijleider Frits Bolkestein de kentering in, toen hij tegen de zin van veel van zijn partijgenoten opeens vooral over de problemen van de Unie wilde praten. Het trauma van het verloren referendum over een nieuw Europees verdrag in 2005 versterkte bij de VVD, meer dan bij andere middenpartijen CDA en PvdA, de gedachte: dat Europa, dat kan ook een gevaar zijn.

Nu verspreidt de VVD een zorgvuldig gekalibreerde boodschap. Ja, Europa is belangrijk. Maar ook: de VVD wil minder Europese bemoeizucht met het leven van alledag. Er wordt geschreven over „betuttelende regeltjes” uit Brussel.

Die boodschap voor en tegen is geen teken van interne verdeeldheid, bezweren VVD’ers. Partijleden in Den Haag wuiven de gedachte weg dat Kroes stem geeft aan een breder sentiment binnen de partij, dat zich zou verzetten tegen al te veel kritiek op de werking van de Unie. „Elke partij heeft zijn mastodonten”, zegt een van hen. „Kroes weet helemaal niet wat er bij de VVD leeft. Ze staat alleen.”

Dat hun partij worstelt, dat geven deze VVD’ers ook wel toe. Ze hebben bij de aankomende verkiezingen voor het Europarlement een lastig verhaal. Althans, het is lastig te verkopen. Niet, zeggen ze zelf, omdat het niet zou kloppen. Maar wat de VVD vertelt heeft te veel grijstinten voor het primitieve niveau van de politieke discussie over de EU. „Je moet of helemaal vóór Europa zijn, of helemaal tegen”, zegt een VVD’er. „En in die hokjes passen we niet.” Zij willen niet met hun naam in de krant, omdat de partij het gedoe rond de oprisping van Verheijen niet wil aanwakkeren.

De werkelijkheid is dat de partij pro-Europees is, maar dat VVD’ers zich grote zorgen maken over de volkswoede over het Europese project. Daar moet de VVD iets mee. Het principe is: uitleggen dat Europa essentieel is voor de welvaart en stabiliteit. En tegelijkertijd vertellen wat er allemaal slecht is aan de dagelijkse praktijk van de Unie, om daarmee stem te geven aan ontevreden burgers en hun te laten merken dat de VVD hen hoort.

Bij dat laatste is de verleiding soms groot om in het idioom van anti-Europese partijen te stappen. Dat valt lekker bij de achterban, en wordt door journalisten ook eerder opgepikt. En dan gedraagt de partij zich, zoals een VVD’er zelf zegt, „alsof Europa een vreemde bezettingsmacht is, en wij als burgemeester in oorlogstijd er het beste van maken”.

Dat ze daarmee een weinig wervend verhaal hebben én het toenemende wantrouwen in de EU voeden, geeft een enkele VVD’er schoorvoetend wel toe. Maar soms is die harde toon onvermijdelijk, is direct de toevoeging.

Ze verwijzen naar de ervaringen van VVD’ers die regelmatig voor hun werk in Brussel zijn. „Overal snuif je daar de geur op van ‘verder’, ‘door’, ‘meer’ Europa. Of de burgers het nu willen of niet”, zegt een VVD’er. Ook in het Europarlement, dat een tegenkracht zou moeten zijn voor al te eurocentrische plannen van de Europese bureaucratie. Maar het is daar een kerk vol gelovigen, zegt een andere VVD’er. „Wie niet in Europa gelooft, wordt uitgestoten.” Daaruit is de conclusie getrokken dat alleen hard tekeergaan tegen ‘Brussel’ de werkelijkheid iets in liberale richting duwt.

Het dilemma is dat die harde toon de geloofwaardigheid van het VVD-verhaal aantast. Want hun partijleider Mark Rutte is premier. En in die functie verdedigt hij de Brusselse compromissen, die per definitie nooit aan alle wensen van de VVD kunnen voldoen.

Dat beeld van hard blaffen, niet bijten, verzwakt de positie van de partij. Concurrent Geert Wilders (PVV) kan zeggen dat de VVD uiteindelijk stiekem ijvert voor een sterker Europa. Terwijl de andere electorale concurrent, Alexander Pechtold (D66), de VVD beticht van populistisch opportunisme.

Dat laatste verwijt is onheus, vinden VVD’ers. Zegt een Kamerlid: „Als we kritiek op de omvang of bemoeienis van de Nederlandse overheid hebben, denkt toch ook niemand dat we Nederland willen afschaffen?”