Kikkers en mensen zijn eenzaam

In zijn nieuwe dierenroman buigt Toon Tellegen zich over het wel en wee van de kikker. Veel wee, want zijn kwaken wordt niet gehoord. En groter groeien doet pijn.

Tekening Paul van der Steen

Lief hoor, de dieren in het bos van Tellegen. Ze hebben eigenlijk nooit iets kwaads in de zin. Toon Tellegen gold nog voornamelijk als jeugdboekenschrijver toen hij een jaar of twintig geleden begon met het vereeuwigen van zijn mier, de eekhoorn en olifant op de Kinderpagina van het Cultureel Supplement. In 1995 werden de verhalen gebundeld in het monumentale Misschien wisten zij alles, een instant klassieker over de meestal vergeefse pogingen van de dieren om een beetje orde te scheppen in het merkwaardige bestaan waarin ze zijn beland. (En dieren zijn precies als mensen.) Waarbij de vraag of dit nog een kinderboek was, wegviel bij de zekerheid dat het literatuur voor volwassenen betrof.

Inmiddels publiceert Tellegen (1941) bijna jaarlijks een ‘dierenroman’, boeken die oppervlakkig gezien wel lijken op de verhalen uit Misschien wisten zij alles. Het zijn dezelfde dieren in hetzelfde bos – en de boeken zijn opgedeeld in gelijksoortige korte hoofdstukjes van anderhalve pagina. Het grote verschil zit erin dat nu steeds één dier centraal staat – of een afwezigheid, zoals in Het vertrek van de mier.

De fixatie op één hoofdpersoon maakt de ‘romans’ wel wezenlijk anders dan de losse verhalen. Die laatsten werden gedomineerd door relatief veel feesten, taarten en kortlopende verwonderingen. In de romans brengt de verlengde aandacht voor één figuur met zich mee dat de lichtheid terrein verliest – zo was de eerste ‘dierenroman’, De genezing van de krekel, vooral een boek over depressie.

Het lot van de kikker begint zo: ‘De kikker hield van kwaken. Hij kwaakte de hele dag en als hij niet kwaakte dacht hij aan kwaken.’ Even verder: ‘De kikker vergeleek zichzelf graag met de zon: de zon scheen de hele dag, hij kwaakte de hele dag […] En als hij midden op de dag even ophield met kwaken, dan was dat precies zo als wanneer er een wolk voor de zon langs schoof.’ Inderdaad, de kikker is een dier dat nogal vol is van zichzelf, of eigenlijk vooral een dier dat diep onder de indruk is van het talent dat de natuur hem heeft gegeven: kwaken.

Hij wil zijn talent graag delen, vandaar dat hij een bord plaatst op de oever tegenover het lelieblad waarop hij woont: ‘Kwaken in 100 lessen (de eerste beginselen)’. De andere dieren lezen het bord wel, maar lopen door. De kikker verlaagt het aantal lessen, maar zelfs voor ‘Kwaken in 1 les’ is niemand te porren. Dan kwaakt de kikker maar weer in zijn eentje.

In de losse verhalen van Tellegen was het hier wel bij gebleven: het dier, dat als alle dieren en de meeste mensen veel van een kind wegheeft, is tegen de grenzen van zijn verbeelding aangelopen en gaat over tot de orde van de dag. Het is mooi en een beetje pijnlijk – maar het is te overzien.

Maar in Het lot van de kikker is het lesverhaaltje pas hoofdstuk drie van de 55. En in die reeks verhaaltjes krijgt de kikker veel te verstouwen. Het blijkt dat de andere dieren wel erg weinig gesteld zijn op zijn kwaken. Niet dat ze bewust gemeen tegen hem zijn, maar soms stoppen ze even hun vingers in hun oren.

Geleidelijk aan trekt Tellegen het koord rond zijn arme kikker strakker aan. Want als hij jarig is en alle dieren bij hem op bezoek komen, heeft de muis een speciaal cadeau voorbereid: ‘De muis kwaakte een hartverscheurend en weemoedig lied over vallende bladeren, zonsondergangen en glinsterende golven. Hij kwaakte zo mooi en zo zuiver als nog nooit iemand – ook de kikker niet – had gekwaakt. Het was een lang lied en toen het uit was bleef het geruime tijd stil. Veel dieren waren ontroerd en wisten ongemerkt een traan van hun gezicht.’ De kikker ontvlucht zijn eigen verjaardagsfeest.

Zo volgen de teleurstellingen elkaar op en probeert de kikker, uiteraard vergeefs, van het kwaken af te komen. Hij voelt zich steeds ellendiger en steeds meer alleen in een wereld die niet per se vijandig is, maar wel onverschillig. Waarmee je als volwassen lezer hoopt dat er vooral niet te veel kinderlezers zijn die werkelijk begrijpen waar deze roman over gaat, want het beeld dat Tellegen schetst van de onontkoombare eenzaamheid van zijn kikker – en dus de mens – is angstaanjagend. Uiteindelijk overweegt de kikker dat als hij daadwerkelijk zou stoppen met kwaken, hij een bord aan zijn deur zou hangen met de tekst: ‘Loop maar door, er is niets aan mij te beleven.’ – een zinnetje dat je maar beter niet te diep tot je door kunt laten dringen. Dit is duizendmaal wreder dan Roodkapje.

Natuurlijk kun je meer betekenissen en verwijzingen in Het lot van de kikker zien, waarvan die naar de onbegrepen kunstenaar (of schrijver) een van de eenvoudigste is. Hoe weinig weerklank de kikker ook vindt, hij moet kwaken – zoals een schrijver nu eenmaal moet schrijven, ook als niemand geïnteresseerd is in literatuur.

Even makkelijk kun je het boek lezen als een verbeelding van de confrontatie tussen een kind en de volwassen wereld, waarbij het kind geleidelijk aan ontdekt dat hij toch niet het middelpunt van het universum is. Het leert de taal van het volwassen leven – ergens wil de kikker een hymne kwaken, maar hij weet niet wat dat is – maar het weet zich er nog geen raad mee. Dat proces van confrontatie met het volwassen leven zit in alle dierenverhalen van Toon Tellegen. Waarbij in Het lot van de kikker de bijbehorende groeipijnen zeldzaam invoelbaar worden gemaakt, op het onverdraaglijke af.