‘Je moet er niet van weglopen’

Overlast van hangjongeren is een probleem van alle tijden. Maar de straatcultuur verhardt – net als de publieke opinie. Een nieuwe aanpak blijkt succesvol. „Hangjongens zijn net kakkerlakken. Ze zijn daar waar je het niet verwacht.”

Het is een kille vrijdagavond op het Columbusplein in de Baarsjes. Fayyad (23) zit met vijf vrienden op een bankje. Er gaat een joint rond. Uit een van de mobieltjes schalt Marokkaanse muziek. Fayyad is weggejaagd uit Nederland, zegt hij. In België heeft hij een vrouw, werk en een betaalbaar Dieseltje. Hier is het moeilijk om je leven te beteren. Bajes in, bajes uit, boetes, schulden. Een verklaring omtrent het gedrag kon hij op zijn twintigste al op zijn buik schrijven. Zijn vrienden zijn het met hem eens. „We komen allemaal uit deze buurt, groeiden op met criminaliteit. We hebben fouten gemaakt. En nu zijn onze kansen verspeeld.” Fouten? „We waren geen snoepjesdieven. Wel zoiets. We haalden kattenkwaad uit.”

Het plein waarop Fayyad en zijn vrienden zitten, bezorgde politie en buurtbewoners jarenlang hoofdbrekens. Het was het domein van de jongens uit de buurt. Sommigen waren nog geen tien jaar oud. Gillen, belletje trekken, treiteren, intimideren, hulpverleners tegen elkaar uitspelen. Bewoners durfden er niet te komen.

Angst

Overlast van hangjongeren is een probleem van alle tijden. Net als angst van buurtbewoners om ze aan te spreken. De oorzaak van hangen is onveranderd: verveling. Soms in combinatie met een instabiele thuissituatie, of het gevoel buiten de maatschappij te vallen. Maar zowel de straatcultuur als de houding van burgers verhardt. Uit ingezonden brieven in Het Parool blijkt dat samenscholingsverboden en camera’s geliefde maatregelen zijn. En zomaar even een paar conclusies uit het programma De stelling van de dag van AT5: 83 procent van de Amsterdammers vindt dat er een zero tolerance-beleid moet komen tegen hangjongeren, 95 procent vindt dat ze harder moeten worden aangepakt.

Stadsdeelvoorzitter Martien Kuitenbrouwer van Amsterdam-West (PvdA) zag een paar jaar terug een enorme afstand tussen buurtbewoners en de overlastgevers. Een bewonersavond op het Columbusplein, waar ze vooral wanhoop en machteloosheid proefde, motiveerde haar om daar iets aan te doen. Iets ingrijpenders dan het plaatsen van een camera, wat volgens haar vaak symptoombestrijding is. Overlast hoort erbij: West is een van de meest dichtbevolkte gebieden van Nederland. Beste vrienden hoefden de bewoners niet te worden. Maar de jongeren moesten zich niet meer de baas voelen van de buurt. En de agressie van buurtbewoners tegen hen moest minder.

Er kwam een buurtpraktijkteam op het Columbusplein, dat bestaat uit een vast team hulpverleners, politie, justitie en buurtbewoners. Ze zijn continu op het plein aanwezig. Dezelfde gezichten. Ze brengen jongens thuis die te lang zonder toezicht buiten zijn, leggen ouders uit dat hun kind eerder naar bed moet. Het werkt, blijkt uit de eerste evaluaties. Bewoners voelen zich veiliger. „Die jongens zitten niet opeens braaf huiswerk te maken”, zegt Kuitenbrouwer. „Maar het patroon is doorbroken: jongens voelden dat mensen bang voor ze waren, gingen daardoor sissen, buurtbewoners durfden geen aangifte meer te doen, de jongeren groeiden in aanzien en gingen steeds verder.” Nu weten jongeren dat als ze zich misdragen, dit bij het hele team terechtkomt en uiteindelijk zelfs bij hun ouders. Buurtbewoners hebben het vertrouwen in de politie en het stadsdeel terug. Ook het Karel Doormanplein in West heeft sinds februari een buurtpraktijkteam om de overlast tegen te gaan.

De massieve inzet van politie, die nodig was voor vechtpartijen, is er niet meer op het Columbusplein. Deze vrijdagavond rijdt er één keer een agent op zijn motor langs het plein. De jongens moeten erom lachen. „Ha, gezellig, daar hebben we weer zo’n blauwpakker.”

Met collega’s bezocht stadsdeelvoorzitter Kuitenbrouwer de film Wolf, over Marokkaanse straatjongens die beginnen met tasjesroven en steeds gewelddadiger worden. Herkenbaar. In de naastgelegen Chassébuurt zag ze een paar jaar geleden hoe het mis kan gaan: brutale, maar onschuldige hangjongeren veranderden in serieuze criminelen. „Wij keken die film vanuit de professionele optiek. Dat broertje van de hoofdrolspeler, zeiden we, díé moet je in de gaten houden. Kinderen kopiëren het gedrag van de oudere straatjongens.”

Vivaldi

Repressiemiddelen als camera’s, blow- en samenscholingsverboden, mosquito’s – apparaten met een irritant hoge piep die alleen jongeren kunnen horen – of zelfs het laten horen van klassieke muziek kunnen op korte termijn helpen. Zo verloste Vivaldi station Lelylaan van een groep jongeren die banden lek staken en reizigers beroofden en bedreigden. En onlangs nog joeg klassieke pianomuziek jongeren weg bij Albert Heijn op de Sarphatistraat. Maar op pleinen veroorzaken repressiemiddelen op de lange termijn juist een gevoel van onveiligheid, schreef het Verwey-Jonker Instituut in 2010. Ze zorgen ervoor dat mensen wegblijven. En daardoor is er geen sociale controle.

Alle stadsdelen in Amsterdam hebben hun inwoners de afgelopen jaren cursussen ‘Omgaan met hangjongeren’ aangeboden. Dat leidde tot verontwaardiging. Bij politici, bewoners en in de media. Omgekeerde wereld, vonden velen. Linkse softheid. Hans Kaldenbach, die de cursussen geeft en boeken over hangjongeren schreef, snapt de ophef wel. Maar ervan uitgaan dat je zelf niets hoeft te doen omdat de ander zich misdraagt, vindt hij „niet zo’n vruchtbare gedachte”. Als je kind op zijn dertiende opeens onhandelbaar wordt, of er staat een boze klant in de winkel, kun je ook niet weglopen, zegt Kaldenbach. Hij leert zijn cursisten eerst ‘begrip’ te tonen. Dus zeggen: ‘Goedenavond, ik snap dat je nodig moet, je kunt ook daar in het café plassen’, in plaats van: ‘hou daar eens mee op’. Geen bruggen vermijden, niet met een grote boog om bankjes heenlopen. „Gewoon hoi zeggen, als mensen onder elkaar. Jongeren willen niet worden aangesproken met ‘sodemieter op’.”

In Amsterdam zijn het vooral Marokkaanse jongens die overlast veroorzaken, in Limburgse dorpjes zijn ze autochtoon. Maar Kaldenbach, die door het hele land cursussen geeft, valt vooral de overeenkomsten op. De aard is hetzelfde: luidruchtigheid, groepsgedrag, provocatie.

Ogen en oren

„Hé jongens”, roept Mohamed (20) tegen een driekoppig groepje dat op de Linneausstraat loopt in Oost. „Wat gaan jullie doen vanavond?” Mohamed fietst met zijn collega Bilal (23) in een gele hes met het logo van het stadsdeel en stichting Connect door de Indische buurt. Hun doel: groepjes jongeren op straat aanspreken, zorgen dat ze zich gedragen. Ze maken deel uit van het Jeugd Preventie Team: een groep van 21 jongens die vier avonden per week door de Indische Buurt en de Transvaalbuurt fietsen. Het team is sinds april actief in Oost; in West bestaat het project al vijf jaar.

„Wij zijn de ogen en oren van de gemeente”, zegt Mohamed. De jongens kennen de buurt op hun duimpje. Ze groeiden er op, hun vrienden hangen zelf op straat. Ze kennen iedereen bij naam. Daarom wordt er naar hen geluisterd. „Wij staan aan hun kant”, zegt Bilal. „Ze respecteren het als wij zeggen dat ze rustiger moeten doen. En we kunnen ons goed in ze verplaatsen.”

Het groepje op de Linnaeusstraat was op weg naar koffiehuis Pand 22 verderop in de straat, volgens Bilal hét café van dit moment. Niets aan de hand dus. Maar soms zien ze ernstiger dingen. Zoals laatst, een bedreiging met een mes. Dan bellen ze de teamleider en die schakelt de politie in.

Ook Bilal en Mohamed zagen Wolf. Mohamed kickbockst ook, net als de hoofdrolspeler. Het is een populaire sport onder de jongens op straat, zegt hij, een goede uitlaatklep. Ze vonden de film goed, maar niet op alle punten. „In het echt gaat het er harder aan toe. In de film hebben ze moeite aan een geweer te komen. Hier zijn zelfs jongens van 16 die al een wapen hebben.”

Accepteren straatjongens het gezag van Bilal en Mohamed, die soms zelfs jonger zijn en in uniform door de stad fietsen? Bilal: „Eerst lachten ze ons uit. Nu zijn ze jaloers. De helft heeft ook gesolliciteerd op onze baan.” Deze avond is koud en nat, dus is het rustig. Toch kunnen hangjongeren altijd opduiken, weet Mohamed. „Jongens zijn net kakkerlakken. Ze zijn daar waar je het niet verwacht.” Als er een politieagent langsrijdt, zwaaien Mohamed en Bilal. Niet dat ze hem kennen. „Gewoon, collegiaal.”

De functie van het Jeugd Preventie Team is tweeledig: niet alleen de overlast terugdringen, maar ook jongeren van de straat houden. Ze komen vaak moeilijk aan een baan of stage. Omdat ze al behoorlijk wat op hun kerfstok hebben: dealen, heling, overvallen. Er zijn zelfs huurmoordenaars bij. Of ze missen kansen door hun afkomst. Een Marokkaanse naam in combinatie met postcode 1019 – dat helpt niet.

De maatschappij is minder bereid om jongeren steeds opnieuw kansen te geven, zegt Robin de Bood, directeur van Streetcornerwork, een stichting met veldwerkers in dienst die op straat contact leggen met moeilijk bereikbare jongeren. „Dat vind ik niet verkeerd. Hoe langer je wacht met jongeren op het goede spoor brengen, hoe minder succes je hebt.” Maar het zijn geen makkelijke tijden voor deze jongeren. „De criminaliteit verhardt. Waar vroeger een mes gebruikt werkt, zijn nu vuurwapens de standaard. Jongeren gaan ook sneller over op zware criminaliteit. Tegelijkertijd nemen de mogelijkheden voor opvang af. Er wordt behoorlijk bezuinigd. Dat maakt het moeilijker overleven op straat.”

Dat besef raakt „weleens wat uit beeld”, zegt De Bood. Er is te weinig perspectief voor deze jongeren, vindt hij, ook voor jongeren die niet crimineel zijn. En te weinig begrip voor de redenen dat jongeren afglijden. „Als je solliciteert op een functie en je wordt keer op keer afgewezen, en je hebt ook nog eens het gevoel dat het te maken heeft met je achtergrond, dan kan ik me voorstellen dat je het somber inziet en je gaat afzetten tegen de maatschappij.”

Waar Streetcornerwork voorheen door gemeentes werd ingehuurd als hulpverlener, komt de opdracht nu vaker vanuit Openbare Orde en Veiligheid, om de overlast tegen te gaan. „Het risico voor onze werkers is daarbij dat ze worden gezien als verlengstuk van de politie. En het vertrouwen van jongeren verliezen.” Maar dat de politie er meer bovenop zit, heeft ook voordelen. Het is een stok achter de deur om jongeren te motiveren. Hoe helderder de keuze is – linksaf, terug de bak in; rechtsaf, hard werken voor je geld – hoe groter de kans dat ze voor het rechte pad kiezen. „Ze moeten niet het gevoel hebben dat ze wegkomen met criminaliteit.”

Het wordt steeds kouder op het Columbusplein. Fayyad geeft telkens nieuwe redenen waarom het in België beter is: er zijn banen, vaste contracten zelfs, een autoverzekering is er goedkoper. Je hoeft niet altijd „als een engel” te hebben geleefd om aan het werk te komen, zoals hier. De joint is inmiddels op. Het is elf uur, vrijdagavond, het uitgaansgebied lonkt. „We gaan ervandoor”, zegt hij dan. Het Columbusplein wordt ingeruild voor het Leidseplein.