Gezien? Platvormen, het staat er echt

Zoals een schrijver het recht heeft om beoordeeld te worden op zijn beste boeken, heeft een mediaconcern het recht om beoordeeld te worden op zijn beste persberichten. Dus: sorry. En het is zielig en onmachtig om te vitten op bestuurdersjargon. Maar ja, een literatuurliefhebber voelt zich onmachtig bij de honderd ontslagen bij de Weekbladpers. Dus lees even mee, en probeer wakker te blijven tot het achttiende woord van de volgende zin: ‘WPG Uitgevers beschouwt zichzelf als een mediahuis met sterke merken en vooral waardevolle content, die op uiteenlopende platvormen en nauw aansluitend bij klantbehoeften naar de markt wordt gebracht.’

Gezien? Platvormen, het staat er echt. Dan tik je als communicatiemedewerker ruim zevenhonderd woorden abracadabra (zie ook: ‘rendementsverbeteringen binnen bestaande activiteiten en stopzetten van verlieslatende activiteiten zonder toekomstpotentieel’) waarna een enkele mishit al het andere overstemt. We hebben nieuwe platvormen nodig, want de oude vormen van platheid voldoen niet meer. Immers: de Nederlandse lezer is pornografisch verzadigd, de hardboiled thrillers van Bruna zakken uit de bestsellerlijsten en de oestrogeenthrillers bieden ook geen zekerheid meer. In de schaduw van WPG stuurde Ambo Anthos vier van zijn veertig vaste krachten naar huis.

In de aanbiedingsfolders van de uitgeverijen zie je de zoektocht naar platvormen: er komt een boek over zoutloos eten van actrice Olga Zuiderhoek – God, wat zou ik geven voor haar memoires. Ook komt er een roman van voormalig Opzij-hoofdredacteur Margriet van der Linden. Die in haar periode bij het feministisch tijdschrift blijk gaf van meer gevoel voor platvormen dan voor literatuur. Zo kwam ik bij een van de pre-necrologieën van Opzij een cover tegen met de twee dochters van Harry Mulisch en de tekst: ‘Knuffelen, dat kon hij niet.’ Als je niet beter wist, zou je er een patriarchaal complot in zien. Of een complot tegen de literatuur.

Maar goed, Opzij wordt in een vloek en een zucht gered als de Stichting Opzij een kluitje jonge feministen de vrije hand geeft. Zorgelijker wordt het als uitgeverijen zich alleen nog maar richten op de ‘klantbehoeften’. Deze week vond ik een twee jaar geleden door De Arbeiderspers uitgegeven boekje van Georges Perec, vertaald door Rokus Hofstede: Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen, een absurde tekst waarin de aangesprokene zeventig pagina’s lang geen stap dichter bij zijn opslag komt. Geweldig geschreven, geestig en ergens nog tragisch ook. Het is een volkomen volmaakte, onverkoopbare vertelling – een schoolvoorbeeld van hoe een grote uitgever tussen de bedrijven van de wél rendabele uitgaven af en toe wat schoonheid aan de wereld toe kan voegen. Nu maar hopen dat de bedenker van het Perecboekje er bij de WPG niet uitvliegt.

Gelukkig worden mooie boekjes ook elders gemaakt. Vorige week verscheen plotseling een beeldschoon boekje van Italo Svevo, Een strijd. Het begint zo: ‘Een deerntje dat alleen woont en vrijelijk mannen bij haar thuis ontvangt, is een ding dat toebehoort aan wie het hebben wil’, waarna een dichter zich pijnlijk verslikt in zijn pogingen om dit ding voor zich te winnen. Drie feministische golven scheiden ons van Svevo – maar in een handvol zinnen weet je weer waar het om gaat. Schrijvers moeten een platform hebben. Dat is alles.