Gastvrijheid

Moet ik die twee mannen die met hun wagen aan de poort staan, binnenlaten of zeggen dat ze maar ergens anders moeten aankloppen, vraagt het hoofd van de huishouding aan Menelaos.

Tot nu toe leek je niet zo stom, zegt die, maar wat je nu voorstelt! Wegsturen? Hoe haal je het in je hoofd. Ben je dan vergeten hoe vaak we zelf gastvrij ontvangen zijn toen we op weg waren naar huis? Binnenlaten. En goed verzorgen!

Het is een heel klein stukje uit de Odyssee, maar het trof me ineens.

Omdat Menelaos, de Spartaanse koning die pas acht jaar na de val van Troje weer thuis is gekomen, zich echt kwaad maakt om de veronderstelling van zijn bediende. Hij wil niet iemand zijn die de mensen wegstuurt als ze hulp nodig hebben. En hij onderbouwt dat met een moreel beginsel dat tot op de dag van vandaag een belangrijke leidraad voor gedrag is: behandel een ander zoals jezelf behandeld zou willen worden.

Blijkbaar is dat een heel vanzelfsprekend uitgangspunt voor mensen. Homerus, wie hij ook was, benadrukt in 800 voor Christus, lang voor enige vorm van christelijke moraal dus, heel vaak hoe belangrijk het is om gastvrij te zijn tegenover vreemdelingen, omdat dat behoorlijk is, en ook omdat je zelf in de omstandigheid zou kunnen geraken dat je ergens als vreemdeling komt.

Dat het nogal eens benadrukt wordt, dat Odysseus zich elke keer als hij ergens aankomt afvraagt of deze mensen vreemdelingen wel met respect zullen bejegenen, betekent vast dat het niet helemaal vanzelfsprekend was.

Dacht ik bij die passage meteen aan staatssecretaris Teeven?

Ach nu ja, eventjes. Maar meteen daarna realiseer je je ook wel weer dat Menelaos in een andere positie was dan wij nu zijn. Het is heel makkelijk om de overeenkomsten te zien, de overeenkomst in het streven naar het juiste gedrag. Maar het is ook niet zo moeilijk om de verschillen te zien tussen een Mykeens paleis uit de tijd van Menelaos (zo’n 1200 v. Chr.), met de bestuursstructuur van toen, de bevolkingsomvang, de afhankelijkheidsrelaties, de noodgedwongen zelfvoorzienendheid, en onze technologische, marktgedreven democratie van nu. Als je aan de verschillen denkt, wordt de overeenkomst in morele overtuiging eigenlijk nog verbluffender. En interessanter.

Naar het verleden kijken is altijd makkelijker dan de toekomst zien. De laatste tijd hoor ik veel mensen praten over hoe de wereld zal veranderen als de Googlebril er eenmaal is. Hoe anders wij zullen worden.

Misschien. Soms denk ik aan de tijd dat men zeker wist dat ons een groot gevaar bedreigde door ‘Second Life’, de virtuele wereld op internet waar je met behulp van een avatar een ander leven kon leiden. Mensen zouden het contact met de realiteit verliezen! Ze zouden in een droomwereld gaan leven! Nu hoor je er nooit meer iets over. Het aantal gebruikers ligt min of meer stabiel rond de 1 miljoen. Wereldwijd. Naar één avondje Boer zoekt Vrouw kijken al ruim 3 miljoen mensen.

Natuurlijk zullen we veranderen, maar op welke manier weten we nog niet. Dat we ons doodrustig (‘Ach, als je niets te verbergen hebt’) dag in dag uit zouden laten bespioneren, via internet, via camera’s, via onze telefoons, had ook niemand verwacht. Dat vertelden we elkaar griezelend over de DDR vroeger: hoe álles daar bekend was bij de Stasi. De Stasi moest daar veel moeite voor doen. Nu is het een fluitje van een cent.

Als een baby in de wieg ligt, weet je nog niet hoe die eruit gaat zien. Als het kind later groot geworden is en je kijkt naar een babyfoto zeg je: je ziet daar al duidelijk dat hij het is.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.