Betje waait met de plattelandswinden mee

In haar nieuwe roman Het land stapt Weverling over van jarenzestig-vooruitstrevendheid naar jarenvijftig-achterlijkheid.

Aukelien Weverling Foto Astrid Verhoef

Geen wolkje aan de lucht. Zelfs dát is er niet, in het gebeurtenisloze leven op het Hollandse platteland. De dag gaat vanzelf weer over in nacht, de dagen rijgen zich onontkoombaar aaneen. Dat is het leven van Betje, hoofdpersoon van Aukelien Weverlings derde roman Het land. Weer een dag zomervakantie? Weer een dag schommelen. ‘Tot de lucht langzaam afkoelde, donkerde, en Moe je binnen riep. Of je een leuke dag had gehad? Het draaien van de aarde was hier tot evenement verheven.’

Betje droomt van de stad, van de kosmos, van alles waarin het land niet voorziet – maar of ze ooit elders zal geraken betwijfelt ze. Het leven is volstrekt voorspelbaar.

De roman dus eveneens, maar die voorspelbaarheid is geen bezwaar, want Weverling schrijft klinkende zinnen, gecondenseerd en zonder blabla. De welbespraakte verstilling en de secure taal maken dat er zich een boeiende, gesloten wereld opent. Het voelt authentiek aan: hoe de dialogen doorspekt zijn van boerenwijsheden en spreuken uit de Bijbel. Het is een wereld waar dat soort algemeenheden nog geldig zijn, al gaan ze ten koste van het individu.

Weverling schreef daar eerder over, over een verstikkende jeugd, maar dan aan de andere kant van het spectrum: haar tweede roman Politiek gevangene ( besproken in Boeken, 06.10.2006) ging over een meisje dat opgroeide in al te linkse kringen, die in de roman met satirisch vernuft gefileerd werden. Het meisje Seringe had een rot jeugd met een moeder die de haren van Barbie afknipte uit feministisch oogpunt.

Weverling stapte met Het land over van jarenzestig-vooruitstrevendheid naar jarenvijftig-achterlijkheid; Betje zal van haar leven geen Barbie gezien hebben.

Ook nu kan Weverling uit de voeten met haar scherpe, droge humor. ‘Wat als nu de bliksem in de Stompe Toren slaat?’ vraagt het domme gansje Ansje. ‘Dan brandt-ie stomper.’

Maar vooral is dit de wereld waar beslissingen worden beklonken aan de toonbank van kruidenier Bartelsman, of anders in de maandelijkse dorpsvergadering. Een wereld waar decreten uit Brussel irritatie wekken – de eerste hint van de xenofobie in de onderbuiken van Wakkum en omstreken. Want daar ligt de spanning, de verstoring in het rimpelloze leven. Na het overlijden van ‘de oude Vreeman’ komt er een huis leeg te staan. Het bod van de jongen van Van Ginneveld wordt overtroffen door iemand van buiten, ver buiten.

Dan wordt Het land meer een boerenland van Alex van Warmerdam dan van Franca Treur of Dik Trom. Namelijk: een grimmige boel. Die nieuwen van Dorpsstraat 5 zijn buitenlanders, niet-christenen, met kussens op de grond, en ze koken er in alle kleuren. Dat moeten ze niet, in het dorp. Zonder groot vertoon van drama, zonder rimpelingen aan de oppervlakte, keert het dorp zich langzaam maar zeker steeds meer tegen hen. Het levert vileine scènes op, zoals de dorpsbingo waar ‘wat de vrouw was’ van Dorpsstraat 5 als eerste wint, maar als prijs niet de citruspers mag kiezen. Ze wordt afgescheept met een forse ham.

Het gaat van kwaad tot erger – Weverling kookt het zo goed voor, dat de middeleeuws aandoende slotsom van de roman overtuigt. Steeds weer weeft de schrijfster vervaarlijke passages uit de Bijbel door het verhaal, om de heersende logica te tonen. Achteraf zegt Betjes Pa: ‘Wie zegt ons dat God nu niet voor ons rechtgetrokken heeft wat scheef zat?’

En Betje? Die waait met alle plattelandswinden mee. Maar op één punt brak Weverling met het perspectief – Betje is ‘je’ en de verteller is ‘we’ – en daar was Betje ineens ‘ik’. Dat moment, voor het eerst oog in oog met de zoon van Dorpsstraat 5, was niet willekeurig. Maar het was, veelbetekenend, ook niet meer dan één rimpel in een modderige sloot.