Banken tonen goede wil, maar buigen doen ze niet

Tweede Kamer houdt vast aan verhoging kapitaalbuffers

De bankiers deden hun best in de Tweede Kamer. Het belang van de klant stond voortaan echt centraal, het rendement kon wel wat naar beneden en vanzelfsprekend hielden ze zich aan de afspraken rond de bonussen. Veelbetekenend constateerde SNS-topman Gerard van OIphen dat de vier grootste banken sinds de financiële crisis „allemaal nieuwe eindverantwoordelijken” kenden.

We zijn echt veranderd, zo luidde de boodschap gisteren tijdens een hoorzitting over de toekomst van de Nederlandse banken. De nieuwe Rabo-topman Marinus Minderhoud nam de gelegenheid te baat om nog eens uitvoerig excuus te maken voor het schandaal rond de gemanipuleerde Libor.

Maar zorgde deze houding bij de vier grootbanken voor enige toenadering tot de kritische Tweede Kamerleden? Niet echt. Centraal stond het voornemen van de politiek om strengere eisen te stellen aan de kapitaalbuffers van banken. Ze zouden niet 3 maar 4 procent eigen vermogen moeten hebben op hun totaal aan uitgeleend geld, zo vindt het kabinet. Zo’n verhoging maakt de banken sterker en moet voorkomen dat er een beroep op de belastingbetaler wordt gedaan bij crises. Zoals dat bij ABN Amro, SNS Reaal en ING gebeurde.

Die extra versterking van de buffers is een slecht idee, vinden de banken eensgezind, zeker als Nederland daarmee vooroploopt in Europa. Want meer kapitaal aanhouden kost geld en dat zou de concurrentiepositie ten opzichte van buitenlandse banken dus schaden. En ook de Nederlandse economie zou hieronder lijden, omdat de kredietverlening nog verder zou teruglopen. Verhoging van de buffers kan volgens ING-topman Ralph Hamers „grote impact op banken en op de reële economie” hebben.

Hamers ging in tegen de stelling van PvdA-Kamerlid Henk Nijboer, die een kapitaalratio van 3 procent ongezond noemt. „Het is geen houdbaar financieel stelsel als je tegenover het uitlenen van 30 euro slechts 1 euro aan vermogen hoeft te hebben”, zei Nijboer. Volgens Hamers hangt het vereiste niveau vooral af van de activiteiten. „In het slechtste jaar leed ING een strop van 300 miljoen euro op onze winstgevende hypotheekportefeuille van 140 miljard. Bij een verplicht eigen vermogen van 3 procent betekent dit dat je een buffer hebt van ruim 4 miljard euro.”

De banken kregen steun van toezichthouder Jan Sijbrand van De Nederlandsche Bank, al vindt hij 4 procent niet onredelijk. Hij kreeg de vraag voorgeschoteld of de banken niet gedwongen moesten worden om zelf kapitaal op te halen. Zoals in Amerika, waar de banken in het midden van de financiële crisis hun buffers moesten versterken. Sijbrand rekende voor dat de banken voor een serieuze versterking van de buffers al snel 35 miljard op de kapitaalmarkt moeten ophalen. „Ik zie dat niet zomaar gebeuren.”

Dat het aantrekken van extra vermogen de concurrentiepositie verzwakt, is een misvatting, zo verklaarde een handvol wetenschappers. Want een sterke buffer zorgt voor een goede credit rating, dus voor goedkoop lenen en een veilig imago. „Dat het je positie verslechtert, is natuurlijk onzin”, zei hoogleraar Sweder van Wijnbergen van de Universiteit van Amsterdam. Daar is in Amerika ook nooit sprake van geweest. „We stellen hier dezelfde diagnose: de buffers moeten omhoog. In Amerika werd men verplicht kapitaal aan te trekken, hier knijpen de banken de kredietverlening af om aan de kapitaaleisen te voldoen. De diagnose is goed, het middel is verkeerd.”

Dat de banken niet meer eigen vermogen willen aantrekken heeft volgens Van Wijnbergen nog een andere oorzaak. Ze doen nu eenmaal liever zaken met andermans geld. Dat vergemakkelijkt het nemen van risico’s. „Dan zie je alleen de leuke kant van de kansberekening”.