Winterbanden voor ’t voorspellingsmodel

Wonderlijk. De economische prognoses vliegen je vandaag de dag om de oren. De Europese Commissie, minstens tweemaal per jaar. Het Internationale Monetaire Fonds, tweemaal per jaar plus tussentijdse updates. De OESO, tweemaal per jaar. Het Centraal Planbureau. De Nederlandsche Bank. En dan nog een breed scala aan andere instellingen en banken die elk hun eigen prognoses maken.

Maar hoe meer voorspellingen er verschijnen, hoe minder consistent ze onderling zijn. Deze week bracht de OESO, de club van rijke industrielanden, voorspellingen naar buiten voor 2014 en 2015. Het grootste nieuws daaruit was, hier in Nederland, dat de economie volgend jaar opnieuw krimpt (met 0,1 procent) en dus helemaal niet herstelt. Dat gebeurt pas in 2015 met een nogal magere groei van 0,9 procent.

Ondanks deze tegenvaller daalt het Nederlandse begrotingstekort bij de OESO tot 3 procent van het bbp in 2014 en tot 2,3 procent in 2015. Het is moeilijk verklaarbaar hoe het kabinet zelf een tekort verwacht van 3,3 procent bij een economische groei van 0,5 procent, maar de OESO een kleiner tekort intekent bij een lichte economische krimp.

Origineel is het wel. Maar er lijkt zo intussen wel sprake van lichte chaos. Het Centraal Bureau voor de Statistiek, hier meer dan waardevol omdat het de feitelijke fundamenten verschaft voor al deze prognoses, kwam de afgelopen dagen met gegevens die onderling tegenstrijdig lijken. De consumentenbestedingen zakten op jaarbasis opnieuw in. De stemming onder consumenten steeg daarentegen sterk, vrijwel over de gehele linie. En de werkloosheid nam wat af, waardoor het (nationaal gedefinieerde) percentage zakte van 8,6 naar 8,5.

Tegelijkertijd is er nog een opvallende prognose van de OESO voor Nederland: die voorziet dat de Nederlandse output gap toeneemt van -2,3 in 2012 naar -4,2 dit jaar, naar -5,2 volgend jaar naar -5,5 in 2015. De output gap is het cumulatieve verschil tussen wat de economie produceert en wat zij had kunnen produceren.

Wat de OESO in wezen suggereert is dat er nog een flinke potentiële groei is voor de Nederlandse economie. Zij kan veel beter dan zij nu presteert. Dat impliceert dat er een forse inhaalslag kan worden gemaakt, waarbij de output gap wordt ingelopen met bovengemiddelde economische groei. Maar de gemeenschappelijke mening onder economische instituten is nu juist dat we tot nader order een periode van zeer lage groei ingaan.

Het is natuurlijk nogal prematuur om op basis van een paar inconsistenties al te grote conclusies te trekken, maar het volgende knaagt hier al wat langer. Als de tijden zijn veranderd, als er een periode van lage nominale groei is aangebroken, als de monetaire politiek zo revolutionair is als nu en de financiële sector zo’n zware stempel op het wel en wee van de economie drukt, als de macht verschuift van arbeid naar kapitaal, als de inkomens- en vermogenverschillen toenemen, als belasting meer en meer door de factor arbeid (en haar consumptie) wordt opgebracht en steeds minder door de factor kapitaal, kloppen de wegingen, relaties en dynamiek in de bestaande macro-economische modellen dan nog wel?

Niet dat ze nu meteen helemaal op de schop moeten – ondanks alle hippe kritiek op het bruto binnenlands product is de Churchill-lijn hier nog steeds van toepassing: het minst slechte concept dat we hebben. Maar het zou vreemd zijn als de – al niet ideale – voorspellingsmodellen die vóór de crisis werden gebruikt nu ongewijzigd door functioneren. Een kijkje onder de motorkap kan hier en daar geen kwaad.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.