Reïntegreren

Op het bankje van de tramhalte zat ik al een poosje te wachten, toen een vrouw moeizaam kwam aangelopen. Ze was van middelbare leeftijd en had een tamelijk uitgezakt lichaam, gehuld in een fletse winterjas. In haar hand hield ze zo’n forse damestas waarmee in lachfilms drieste belagers op afstand worden gehouden.

Ik zat nogal breeduit en schikte wat in om ruimte voor haar te maken, maar ze beduidde me met een vriendelijk knikje dat het niet hoefde. Alleen die tas zette ze naast me neer, terwijl ze zei: „Ik blijf maar even staan, ik heb al genoeg gezeten. Ik moest naar de reïntegratiecursus.”

Waaraan merk je dat mensen om een praatje verlegen zitten? Aan zo’n onverhoeds zinnetje dat vragen oproept. Ik vroeg dan ook plichtbewust: „Waarom moest u dat?”

„Als onderdeel van mijn reïntegratietraject.” Ze zei het met bijna tastbare weerzin. Toen ging ze in één adem door: „Ik ben nu nog receptioniste, maar ik raak volgend jaar werkloos. Mijn bedrijf heeft begrotingsproblemen en er moeten elf mensen uit – degenen die het laatst zijn binnengekomen het eerst. Daar hoor ik bij. Ik vertrouw het niet, want zijn die problemen niet op een andere manier op te lossen? Kan er niet elders bezuinigd worden? Als ik zie hoeveel geld er bij ons over de balk wordt gesmeten…”

Ik hoorde een verbittering in haar stem die voor dit moment zegevierde over moedeloosheid. „Ik heb altijd kunnen werken”, ging ze verder, „maar de laatste jaren is het alleen maar pech. Ik heb 34 jaar voor ABN Amro gewerkt, totdat ik daar ook wegens bezuinigingen weg moest. Ik vond daarna tijdelijk een baantje en kon toen receptioniste worden. Inmiddels ben ik 57 – wie wil mij nog? Niemand natuurlijk. Dat weet iedereen, ook bij het UWV, maar toch moet je doen alsof nog alles mogelijk is.”

„Veel solliciteren dus”, zei ik.

„Brieven schrijven waar je geen of nauwelijks antwoord op krijgt”, zei ze. „Tot je een ons weegt. Het hoort erbij.”

Ik herinnerde me het verhaal van een werkloze van haar leeftijd, die voor de schijn ‘netwerkgesprekken’ moest voeren met mensen die hem met hun contacten verder zouden kunnen helpen. Hij belde dan een kennis en maakte een praatje voor de vaak. Zinloos, maar er zal geïntegreerd worden, ook als er niets meer te integreren valt.

„Werd u niets wijzer van die reïntegratiecursus?”, vroeg ik nog.

„Was het maar waar. Ik kwam er voor het eerst en zag ze allemaal aan de computer zitten werken. Dat heeft voor mij geen zin meer. Ik kwam niet voor een of ander cursusje, ik wilde horen of er nog kans is op een baan – en zo ja, waar dan? Maar dat kan niemand je zeggen.”

Onze tram naderde. Ze pakte haar tas op. „Ik ga het financieel moeilijk krijgen”, zei ze, „ik denk niet dat ik mijn hypotheek nog kan betalen als het zo doorgaat.”

Nederland anno 2013. Zulke gesprekken vonden tien jaar geleden nog niet plaats op een tramhalte.

Ik liet haar voorgaan toen we de tram instapten. Ze kende de conductrice in de cabine en wisselde mij als geduldig toehoorder onmiddellijk in voor haar. „Kom ik daar voor die cursus”, zei ze, „zitten ze allemaal achter de computer…” De conductrice knikte, terwijl de tram zich weer in beweging zette. Voor veel oudere werklozen heeft zo’n reïntegratietraject het effect van een slechtnieuwsgesprek van een arts met een terminale patiënt.