Mijn Jordaniër praat met de geheime dienst

Ik wist wel dat de mukhabarat, de geheime dienst, in Jordanië alomtegenwoordig is. Maar ik heb het werken in Jordanië altijd als gemakkelijk ervaren. Geen persvisum nodig. Nooit moeilijke vragen bij de douane. Ik ben er, anders dan in het oude Libië van Gaddafi, nooit ostentatief achtervolgd door mannetjes met zonnebrillen en leren jassen. Ik dacht dat ik in Jordanië, als vertegenwoordiger van een hier onbekende Nederlandse krant, de verhalen kon maken die ik wilde.

Ik begreep pas hoe de Jordaanse censuur werkte nadat ik mijn assistent in Amman per mail had gemeld dat ik niet alleen over de Syrische vluchtelingen wilde schrijven, maar ook over de integratie van Palestijnse vluchtelingen, die decennia geleden naar Jordanië waren gekomen. Toen schreef mijn assistent terug: „Dus je wilt tegen de oorspronkelijke bevolking [bedoeïenen] zeggen dat ze bedreigd worden door het stijgend aantal Syriërs vluchtelingen, opgeteld bij het aantal Palestijnen in Jordanië. Is dat je streven?” De laatste zin in grote, vette, rode letters. Dat verraadde hem.

Natuurlijk was het niet mijn bedoeling mensen iets in de mond te leggen. Ik was simpelweg gefascineerd door het aantal Jordaniërs van Palestijnse origine: volgens analisten ruim 60 procent. En door het feit dat de Jordaanse regering dat cijfer niet openbaar wil maken. Bovendien intrigeerde het me dat mijn assistent zich ‘Jordaniër’ noemde, terwijl zijn familie in 1967 uit het Palestijnse Hebron was gevlucht. Het identiteitsgevoel van Palestijnen is meestal sterk.

Beet, dacht ik, door die vette rode letters. Dit is een verhaal. Was mijn assistent soms ergens bang voor, vroeg ik hem in de lobby van mijn hotel. Nee. Wegwerpgebaar, niet bang, Jordanië is een vrij land. Hij vroeg zich gewoon af of het echt mijn bedoeling was om chaos te creëren en de nationale eenheid in het land te doorbreken. Ik moest zelf maar bedenken of ik dát op mijn geweten wilde hebben. Maar hij zag het als zijn taak om mij te beschermen.

Aha. Tegen wie?

In de auto erkende hij dat hij moest doorgeven aan de geheime dienst wat ik hier deed. Dat de koning, het leger, de geheime dienst en ‘de nationale eenheid’ verboden terrein zijn. In de grondwet is weliswaar vrijheid van meningsuiting opgenomen. Maar volgens het Jordaanse strafrecht vallen „ondermijning van het regime” en „het aanzetten tot verzet” tegen het regering onder het kopje terrorisme. De laatste jaren zijn hierom tientallen activisten opgepakt.

Zo’n vaart zou het met ons niet lopen, zei mijn assistent. Maar niet alleen de koning vreest onrust, ook hijzelf was echt bang dat ik anti-Palestijnse sentimenten onder de bedoeïenen zou aanwakkeren. Vroeger werd hij in elkaar geslagen vanwege zijn komaf. In hem zit een fundamentele angst om zijn staatsburgerschap te verliezen.

Eens beschreef ik op deze plek hoe mijn assistent in Gaza tijdens zware Israëlische bombardementen, in een als doelwit aangemerkt gebouw, zei dat hij niet bang was voor de dood. Dat zegt veel over het fatalisme van Gazanen. Ik trok hem op het nippertje naar buiten.

Even veelzeggend zijn bange assistenten. De paniekerige mail van mijn Jordaanse assistent leidde me niet alleen naar de geheime dienst. Hij vertelde me ook, zonder dat na te streven, met vette rode letters het verhaal dat ik zocht.