Jordanië raakt zijn land kwijt

De enorme stroom Syrische vluchtelingen stelt de gastvrijheid van Jordanië op de proef. ‘Pure Jordaniërs’ worden steeds onrustiger. „Ik snap wel dat de Syriërs het moeilijk hebben. Maar ze moeten nu weer terug.”

Tentenkamp Zaatari, vlak bij de grens met Syrië. Hier verblijven zo’n honderdduizend vluchtelingen. Foto AP

Mohammad Hammad, een Jordaanse bedoeïen, krijgt zijn huwbare dochter niet aan de man. Dat wijt hij aan de toevloed van honderdduizenden vluchtelingen uit Syrië. Syrische vrouwen vragen een lagere bruidsschat, bromt Hammad (50) door zijn borstelsnor. „En ze zijn mooier dan onze vrouwen.” Ook Hammads verloofde zoon blijft ongetrouwd. Omdat de huurprijzen in het Jordaanse grensgebied met Syrië door de vluchtelingen verdriedubbeld zijn, kan hij zich geen huis veroorloven.

De mythe wil dat een Jordaanse bedoeïen elke vreemdeling drie dagen onderdak aanbiedt, zonder te vragen wie de vreemde is of wat hij komt doen. Jordanië gaat prat op zijn traditie van gastvrijheid. Niet ten onrechte: het land heeft sinds de oorlog in Syrië in 2011 begon ruim een half miljoen vluchtelingen opgenomen. Meer dan honderdduizend Syriërs zitten in kampen van de Verenigde Naties. Het overgrote deel leeft daarbuiten in Jordaanse steden en dorpen, met hulp van de lokale bevolking.

Het Jordaanse onthaal wordt echter steeds koeler. „De drie dagen zijn voorbij”, zegt Hammad. Leunend tegen zijn gammele pick-uptruck slaat de bedoeïen gade hoe de Syrische vluchtelingen rondzwermen in de Noord-Jordaanse stad Mafraq. Het aantal inwoners is hier verdubbeld. „Alsof een ander land naar je land komt”, moppert Hammad. „Ik snap wel dat de Syriërs het moeilijk hebben. Maar ze moeten nu weer terug.”

De grote angst van de bedoeïenen is dat de Syriërs lang in Jordanië moeten blijven. Net als de Palestijnen, die sinds de stichting van Israël in 1948 hierheen zijn gevlucht. Met hun nakomelingen vormen deze Palestijnen nu meer dan de helft van de Jordaanse bevolking (van 6,5 miljoen). Schattingen over het aantal gevluchte Irakezen in Jordanië lopen uiteen van een half miljoen tot een miljoen.

Koning Abdullah II zei eerder deze maand dat hij „maatregelen kan nemen om de belangen van onze mensen te beschermen”. Dit was vooreerst een dreigement aan de internationale gemeenschap: als jullie niet meer betalen, gooi ik de grens dicht. Maar ook een poging om de bedoeïenen, zijn in toenemende mate morrende machtsbasis, te kalmeren. Een opstand in Jordanië lijkt onwaarschijnlijk – daarvoor zijn de voorbeelden van Egypte en Syrië te afschrikwekkend. Maar uit te sluiten is dit niet.

De Syrische vluchtelingen zorgen voor stijgende voedselprijzen. Schoolklassen in Jordanië tellen niet meer dertig, maar zestig of zeventig leerlingen. De medische posten zitten bomvol gewonde Syriërs. Jordanië heeft nauwelijks grondstoffen of water, en is geen welvarend land. Donaties van de Verenigde Staten en de Golfstaten dekken de tekorten maar ten dele. Jordanië heeft zijn eigen kosten voor de vluchtelingenopvang dit jaar geraamd op ruim een miljard euro. De belastingen stijgen navenant.

Die economische problemen veroorzaken steeds meer sociale spanningen. Zeiden Jordaniërs twee jaar geleden nog meelevend dat Syriërs Arabische broeders en arme medemoslims zijn, nu zeggen ze zonder gêne dat Syriërs liegen, zeuren en bedelen. Het zijn uitvreters, met enge ziekten. Ze pikken Jordaanse baantjes in. Steeds luider klinkt ook dat ze andere normen en waarden hebben.

Zo fulmineert oud-minister Mohammad Abu Hammour in zijn kantoor in Amman: „Syrische vrouwen hebben slechte manieren. Ze prostitueren zich. Helaas zullen Jordaniërs daar gebruik van maken. Ze rekken onze moraal op.” Woest is hij, zegt Abu Hammour, omdat de VS willen dat we staatsburgerschap verlenen aan Syriërs die niet terug kunnen. Bovendien dwingen de VS Jordanië om Palestijnse vluchtelingen uit Syrië toe te laten. „Hoe kunnen pure Jordaniërs dit land straks nog claimen?”

Hier raakt de oud-minister een gevoelig punt. De oorspronkelijke bedoeïenenbevolking, die hij ‘pure Jordaniërs’ noemt, accepteerde dat de Palestijnse vluchtelingen vanaf 1948 staatsburgerschap kregen, maar behield politiek overwicht en een monopolie op overheidsbanen. De bedoeïenen zijn altijd bang hun greep en privileges te verliezen.

De ‘Palestijnse Jordaniërs’ vrezen op hun beurt dat de bedoeïenen zich tegen hen keren en ze hun rechten kwijtraken. Vergeleken met de Palestijnen in Syrië en Libanon hebben ze het goed. Desalniettemin voelen ze zich tweederangs burgers. En ze zijn ‘Zwarte September’, toen de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO in 1970 met geweld uit Jordanië werd gegooid, niet vergeten. Er vielen duizenden doden. De bedoeïenen hebben het onder elkaar over Witte September.

Publieke discussie over identiteit, demografie en gelijke behandeling is echter taboe: impliciet verboden door de koning. Hij vreest voor de stabiliteit van het land, en zijn eigen positie. Maar hij kan niet voorkomen dat de bedoeïen tijdens voetbalwedstrijden scanderen dat hij van zijn vrouw Rania – van origine Palestijnse – zou moeten scheiden. En de spanningen tussen de twee grootste bevolkingsgroepen van Jordanië nemen door de komst van de Syrische vluchtelingen toe. Tot gewelddadige confrontaties leidde dit op heden niet. De Syriërs zijn een goede zondebok.

De nieuwe vluchtelingen vormen ook het mikpunt voor Palestijnen in Jordanië, met name voor de 400.000 Palestijnen die nog in kampen van de VN leven. Het grootste kamp, met ruim 100.000 Palestijnen, is Baqa’a, nabij Amman. Het trekt nu veel Syrische vluchtelingen, omdat de prijzen er lager zijn dan in Amman of het noorden. En het is er beter toeven dan in de Syrische vluchtelingenkampen. Hier zijn de tenten al lang geleden vervangen door huizen. Maar Baqa’a blijft een bende, met gaten in de muren en modder in de straten. Daar verkopen kampkinderen lompen en rommeltjes. Poppen die armen en benen missen. Een lichtknopje.

De Palestijnse Umm Firas (42) heeft het niet zo heel slecht. Haar huis zit vanbinnen strak in de mintgroene verf. Haar zoons hebben banen in Amman. Bovendien krijgt ze hulp van de VN. Toch jammert ze onophoudelijk over de ongenode gasten. „De vrouwen komen huilend aan de deur, met een vrome gezichtssluier, zodat ik ze wel wat moét geven.” Volgens Umm Firas overdrijven de Syriërs hun lijden en klagen ze te veel. Ze zouden egoïstisch zijn, en ongeduldig. En erger: ze zouden de hulp opsnoepen die voor de Palestijnen is bestemd. Umm Firas wil dat ze weer vertrekken

De ogen van Leila Khatib, een dertigjarige Syrische en moeder van vier, springen wijd open als ze hoort dat Palestijnen in het kamp Syriërs betichten van het stelen van hulp. „Leugens! We krijgen niets! In acht maanden hebben we één doos met eten en wat voedselbonnen ontvangen. Geen meubels. Geen kleren. Geen schoonmaakspullen.” Ze heeft alleen een scherf van een spiegel. Een lege yoghurtemmer doet dienst als medicijnkast. De speciale VN-organisatie voor Palestijnen bevestigt dat ze geen Syriërs helpt. Die kunnen terecht in Zaatari, het grote VN-kamp in het noorden.

Khatib belandde in Jordanië eerst in Zaatari. Maar na twee dagen ontsnapte ze, omdat ze het kamp te vies vond en er niet goed kon bidden. Ze kwam naar het Palestijnse kamp Baqa’a omdat haar man hier een baantje kreeg. En ze hoopte op compassie van de Palestijnen, die immers ook uit hun thuisland zijn verjaagd. Het valt Khatib bitter tegen. „We worden op straat bespot. Mijn zoon durft niet meer buiten te spelen omdat hij wordt gepest.” En ook Khatib klaagt over de gedragsnormen van de ander. „Kinderen gebruiken hier vreselijk vieze scheldwoorden.” Zo vies dat Khatib ze niet wil herhalen.

Ze wou dat ze hier nooit naartoe gekomen was. Door haar hoofd maalt de gedachte dat ze nooit meer weg kan.