Het nulpunt van het schilderij

De Amerikaan Christopher Wool maakt schilderijen die de schilderkunst maximaal ontkennen. Toch gaat zijn overzichtstentoonstelling in het Guggenheim in New York stiekem alsnog over ‘oude waarden’ – markt, geld, handel.

Christopher Wool, Minor Mishap, 2001. Zeefdrukinkt op linnen, 274 × 183 cm.

Niets blijft heel, alles moet kapot worden gemaakt. In een hoekje van het grote Christopher Wool-overzicht in de prachtige ‘rotunda’ van het Guggenheim in New York hangen dertien foto’s waarop een enorme ravage valt te ontwaren. Het is een verslag van een artistieke ramp: in 1996 brak brand uit in Wools atelier op 9th Street in de East Village. De brandweer weet nog net te voorkomen dat het pand volledig vlam vat, maar Wools studio raakte zwaar beschadigd. De hele ruimte is zwart geblakerd, de ramen zijn uit de sponningen geknald en vele tientallen van Wools schilderijen en tekeningen zijn vernield door vuur, rook en bluswater.

Wool pakt zijn camera en documenteert de ramp. Aanvankelijk als bewijs voor de verzekering, maar al snel beseft hij dat de puinhoop... Nou ja, wat eigenlijk? Kunst is? Iets zegt over zijn werk? Hoe het ook zij: Wool bundelt de uitgebrande-atelier-foto’s in een boekje, Incident on 9th Street, en brengt er in oplage een kleine serie zwart-witfoto’s van uit. Knullig, zijn ze, hard, maar tegelijk hangt over de serie onmiskenbaar de romantische spanning tussen scheppen en vernietigen. Incident on 9th Street is een klassieker onder Wool-fans, een exemplaar van de originele serie doet vele tienduizenden euro’s.

Normaal doen zulke bedragen er niet veel toe in een kunstbeschouwing, maar de Wool-expositie in het Guggenheim is niet zomaar een evenement. Zelden draaide een expositie zo nadrukkelijk om dwingende tegenstellingen: zien en niet zien, scheppen en vernietigen, waardevol en waardeloos – ‘RUN’, staat er in dikke zwarte letters op een van zijn schilderijen.

Wool is een typische exponent van de artistiek ‘wanhopige’ jaren tachtig. Kunstenaars van die generatie, in het bijzonder de schilders, waren lamgeslagen door de conceptuele kunst, door het gevoel dat fysieke kunstwerken er nauwelijks meer toe deden, dat je als kunstenaar niks meer aan de wereld kon toevoegen. Sherrie Levine maakte kopieën van bestaande kunstwerken en Richard Prince exposeerde kopieën van cowboys uit sigarettenreclames. Hard was het allemaal, kaal en provocerend als de punkbeweging uit diezelfde tijd, een tikje vreugdeloos misschien ook wel. Wool paste hier heel goed bij, alleen: hij koos ervoor toch te blijven schilderen. ‘FOOL’.

Waar dat toe leidde kun je zien in het Guggenheim: schilderkunst die het nulpunt nadert. Geen verleiding. Geen of weinig schilderkunstige gestes. En vooral geen illusie. Al aan het begin van zijn carrière maakt Wool doeken met rollers die je kant-en-klaar bij de behangwinkel koopt – lullige, decoratieve bloemenprints, die hij simpelweg op het doek zet, waarbij hij de plek waar de roller uitschiet gewoon laat zitten.

Al snel keert hij zich echter nog verder af van het beeld en gaat hij woorden schilderen. Hij breekt er al snel mee door: grote, confronterende, kale doeken, met stencilletters en illusieloze teksten. Aanvankekijk houdt Wool het kort: ‘RIOT.’ ‘TROJANHORS’. ‘FUCKEM IF THEY CANT TAKE A JOKE’. Om uiteindelijk terecht te komen bij: ‘THE SHOW IS OVER THE AUDIENCE GET UP TO LEAVE THEIR SEATS TIME TO COLLECT THEIR COATS AND GO HOME THEY TURN AROUND NO MORE COATS AND NO MORE HOME’.

Het rare is: als tekst is het bijna niks, als schilderij ook niet, maar Wool weet een wonderlijke hoeveelheid suggestie op te roepen door de combinatie. Dat komt doordat de kaalheid waarmee hij zijn teksten presenteert de fantasie van de toeschouwer aan het werk zet. Niet alleen over de inhoud, ook over de manier waarop de grafische presentatie van woorden bijdraagt aan hun betekenis – zo zijn Wools teksten vaak moeilijk te lezen en word je vaker op het verkeerde been gezet dan je lief is. ‘HELTER HELTER’.

Vanaf dat moment komt Wools oeuvre steeds nadrukkelijker in het teken te staan van de grote paradox: het maken van schilderijen die de schilderkunst maximaal ontkennen. Hij kopieert zijn eigen werk. Gaat stencilen op doek. Schildert met een zwabber. Gebruikt computerprints – en dat alles bijna altijd in compromisloos zwart-wit. Het zijn verrassend stugge doeken, behoorlijk lelijk en tegendraads ook vaak, met een hoog ‘dat-kan-mijn-neefje-ook’-gehalte. Maar tegelijk besef je voortdurend dat Wool zichzelf in zijn eigen paradox heeft opgesloten als een kluizenaar in zijn hut. En jawel: precies dankzij die weerbarstigheid groeit Wool, net als generatiegenoten als Levine en Prince, in dit decennium uit tot een belangrijke kunstenaar, de chroniqueur van de artistieke desillusie, wiens prijzen gestaag stijgen – wat zo’n mooie paradox is dat je het hem van harte gunt.

Alleen: de Guggenheim-expo, die Wool definitief tot het pantheon van de late twintigste eeuw had moeten doen opstijgen, leert dat zoiets niet zomaar gaat. Enkele maanden voor de opening gebeurt er namelijk iets uiterst curieus: Wools algemeen erkende meesterwerk Apocalypse Now (1988) met de tekst ‘SELL THE HOUSE SELL THE CAR SELL THE KIDS’ wordt door de eigenaar van de expositie teruggetrokken. En niet zomaar, maar ‘to sell the painting’: op 12 november werd het paneel bij Christie’s geveild. Geschatte waarde: 15 tot 20 miljoen dollar, uiteindelijk opbrengst: 26 miljoen.

En ineens besef je ook waarom je andere Wool-klassiekers op de expositie miste. Zo ontbreekt het genoemde ‘THE SHOW IS OVER...’, net als het geweldige ‘CATS IN BAG, BAGS IN RIVER’ – ze zijn te belangrijk geworden, te duur, eigenaren willen ze niet meer afstaan. Daardoor gaat dit ‘cruciale overzicht’ van de kunstenaar die de schilderkunst bijna tot op de bodem heeft afgebrand, ineens alsnog over ‘oude waarden’ – markt, geld, handel. Dat is in veel opzichten om melancholiek van te worden, maar aan de andere kant: het is mooi dat Wool zulke mechanismen zo lang heeft weten te weerstaan en zo’n keihard oeuvre heeft weten op te bouwen.

Zelfs als je met de kennis van tegenwoordig moet toegeven dat ook die hardheid uiteindelijk een vorm van illusie is gebleken. ‘THE SHOW IS OVER’.

Christopher Wool. T/m 22 jan in het Guggenheim Museum, 5th Avenue, New York. Inl: www.guggenheim.org