We hebben geen idee wat we betalen

Ons besteedbaar inkomen neemt af. Maar waar dat geld naartoe gaat, weten we niet.

Het wordt tijd dat we kritischer leren kijken naar wat de staat van ons inkomen opeist.

Eerst verhoog je de accijns op een liter brandstof – met drie cent voor diesel en zeven cent voor LPG. Vervolgens corrigeer je dat verhoogde bedrag voor inflatie. Die schommelt flink: in juli mat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) nog een Nederlandse inflatie van 3,1 procent, in oktober was dat 1,6 procent. Over het aldus gegroeide totaalbedrag hef je vervolgens btw, die al eerder is verhoogd naar 21 procent. Een drietrapsraket met ingebouwde turboboost door dubbele belasting – zie daar hoe de overheid de crisis te lijf gaat. Ten behoeve van de staatskas, wel te verstaan, niet van ons inkomen.

Wat opeenvolgende kabinetten sinds de kredietcrisis presenteren als ‘bezuinigingen’ bestaat vooral uit lastenverzwaringen, zoals de verhoging van bovengenoemde extra belastingen. Op 1 januari 2014 gaat opnieuw een aantal van deze belastingen omhoog. Welke wij wel en niet betalen, hangt af van gezins- en inkomenssituatie. Bij elkaar zijn het er een stuk of zestien: btw van 6 of 21 procent, accijnzen op brandstof, tabak en alcoholische dranken, lokale belastingen zoals ozb en rioolrechten en niet te vergeten de ‘eigen bijdrage zorgverzekeringswet’. Met deze laatste naam suggereert de overheid dat het gaat om een soort tweede eigen risico, naast de 360 euro voor de aanvullende ziektekostenverzekering. Maar het CBS beoordeelt de eigen bijdrage als een doodgewone belasting. Voor de overheid vormt dit soort heffingen een heerlijk instrument om de staatskas te spekken omdat wij het niet meteen merken als ze stijgen. De meeste van deze lasten betalen wij immers het hele jaar door, in dubbeltjes per besteding.

Door die sluipende werking is hun effect op het besteedbaar inkomen moeilijk uit te rekenen. Een groep belastingdeskundigen deed onlangs een serieuze poging op verzoek van De Telegraaf. Het dagblad houdt hun identiteit geheim, en daarmee zijn nieuws exclusief. Maar op de Telegraaf-website Overgeld.nl staan gedetailleerde verantwoordingen. De fiscalisten maakten educated guesses van de effecten voor eenverdieners, voor een gezin met twee kinderen en voor een gepensioneerd stel, steeds in drie inkomensvarianten: minimumloon (18.000 euro bruto per jaar), modaal (33.000 euro) en twee keer modaal (66.000 euro).

Kritischer leren kijken

Neem een gezin met twee kinderen en een bruto-inkomen van 66.000 euro. Van dat laatste bedrag zijn de werkgeverslasten al afgetrokken: 11.230 euro ofwel 14,5 procent van het bruto brutototaal. Dat zijn ook belastingen. Over de 66 mille betaalt het stel een loonheffing van 18.546 euro, ofwel 42,6 procent. Het restant moet worden vermeerderd met fiscale voordelen als hypotheekrenteaftrek en kinderopvangtoeslag – bij elkaar 11.106 euro. Van het resultaat, het netto besteedbaar inkomen, gaat nog eens 21 procent ofwel 12.312 euro op aan alle andere belastingen. Anders gezegd: de staat neemt meer dan hij geeft aan fiscale voordelen, soms wel twee tot drie keer zoveel. Zoals wel vaker gebeurt in het Nederlandse systeem van progressieve belastingheffing drukken de extra belastingen het zwaarst op de mensen die het minst verdienen. Zo kosten zij modale eenverdieners 28 procent van hun netto besteedbaar inkomen, en een gezin met twee kinderen dat één keer modaal verdient zelfs 29 procent.

Zo bezien levert dit gezin in drie etappes bijna 80 procent van zijn inkomen weer in bij de staat. Toch hoeft die staat voorlopig niet te vrezen voor een massale belastingstaking. Nederlanders mopperen wel veel, maar zijn tegelijkertijd notoir brave belastingbetalers. We zijn veel volgzamer dan we willen weten. Jarenlang kochten we woekerpolissen omdat we de kosten tot 5.000 euro per jaar konden aftrekken van de inkomstenbelasting. Dat het rendement vaak nul was door de hoge kosten die de aanbieders inhielden, ontging ons al die tijd. Dat we meer zelf zullen moeten zorgen voor onze financiële toekomst – voor ons pensioen bijvoorbeeld – begint nu pas langzaam tot ons door te dringen.

Het is de hoogste tijd dat we kritischer leren kijken naar wat de staat van ons inkomen opeist. Maar dan zullen we eerst in kaart moeten brengen wat er privé binnenkomt en weer uitgaat. Onthutsend veel Nederlanders hebben geen idee, zo blijkt uit de onderzoeken die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) regelmatig laat verrichten. Het meest recente verslag is Geldzaken in de praktijk over de periode 2011-2012. „Een kwart van de respondenten kan geen schatting maken van de hoogte van huur of hypotheek”, schrijft het Nibud. Als deze mensen hun vaste lasten al niet in beeld hebben, dan ontberen zij vast en zeker ieder zicht op het effect van btw en accijnzen op hun besteedbaar inkomen. Geen wonder dat 45 procent van de geënquêteerden aangeeft moeilijk rond te komen; in 2009 was dat nog 37 procent.

De meest genoemde oorzaken zijn hoge vaste lasten en een terugval in inkomen. Bijna een kwart van de deelnemers aan het Nibud-onderzoek vindt geldzaken ‘lastig’. Bij jongeren en minimumloners loopt dat op tot de helft.

Onbedoeld neveneffect

Nogmaals: wat wij te besteden hebben, is sterk afhankelijk van onze persoonlijke omstandigheden. Maar er zijn meer aanwijzingen dat ons besteedbaar inkomen gestaag erodeert. Het CBS houdt onze koopkracht bij door een „gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen” periodiek te corrigeren voor prijsveranderingen (lees: inflatie). Daardoor worden inkomens in de tijd vergelijkbaar. Daarnaast volgt het CBS de ontwikkeling van onze individuele inkomens – bijvoorbeeld door werktijdverkorting, promotie, ontslag of pensionering. Door die twee reeksen data te combineren ontstaat de ‘dynamische koopkrachtontwikkeling’. Die nam vanaf 2000-2001 bijna ieder jaar toe. Maar nu krimpt hij al drie jaar op rij: respectievelijk met 0,5 procent (2009-2010), 0,8 procent (2010-2011) en 1 procent (2011-2012).

In die krimp openbaren zich de btw- en accijnsverhogingen. En ook een onbedoeld neveneffect daarvan: leveranciers liften vaak mee met de fiscus door hun prijzen stiekem te verhogen.

Sigaretten zijn een mooi voorbeeld. De brutowinstmarge van Philip Morris, marktleider met Marlboro, steeg van 42 procent in 2006 naar 47 procent nu. Concurrent BAT verwacht zijn marges met 0,5 tot 1 procentpunt per jaar te kunnen verhogen. De belastingheffer als bondgenoot van tabaksreuzen: tijdens de crisis neemt het neoliberalisme wel heel bijzondere gedaanten aan.