Vorst aan de grond

Ik zie hem, de lamme heer.

Op de markt staat hij

met zijn waren te gebaren,

zijn ijzige baard lusteloos op zijn borst.

Hij houdt het voor gezien, zijn schepping

en wat ervan gekomen is. Neerwaarts! roept hij

Naar de filistijnen! Zijn zoon op komst

is ergens blijven hangen. Wie maakt me los,

– een sprankje hoop buigt rond zijn mond.

Maar ook ik heb taken te volbrengen.

Neem dit avondmaal: water, brood en vis.

Dat moet je niet te licht opvatten.