Te koop

Ik loop een blokje om met mijn gehandicapte zus. Ze houdt mijn hand vast. Haar blik is op de grond gericht. Ik kijk om me heen, zie fietsers en wandelaars met honden.

Ik zoek naar iets om over te praten, maar ze is me voor.

„Wat geven we mama voor haar verjaardag?”

Ze blijft naar beneden kijken. Ik zeg dat het nog wel even duurt voordat mama jarig is.

„Kijk, hier is een meisje geboren. Ze heet Bo.”

Even kijkt mijn zus op.

„Nee, de andere kant.”

Ze neemt niet de moeite. We steken de weg over.

„Dit huis staat te koop”, zeg ik.

Nu heb ik haar aandacht. Ze staat stil en tuurt naar het vrijstaande huis met de grote tuin waar een bord met ‘Te Koop’ in staat. Ze glimlacht en laat even mijn hand los.

„Dit is iets voor mij.”

Mijn zus woont samen met vijf andere gehandicapten in een zorggroep. Uit alles blijkt dat ze het daar naar haar zin heeft. Toch wil ze heel graag zelfstandig wonen. Steeds begint ze erover.

„Dat kan niet”, zeg ik.

„Echt wel. Ik heb een heleboel geld.”

Als we bij haar thuis zijn, laat ze haar varken zien. Ik pulk de stop uit de buik. De munten kletteren op tafel. Mijn zus wrijft in haar handen en giechelt een beetje.

„Zie je wel.”

„Laten we het geld tellen”, zeg ik.

Een voor een schuif ik de munten over tafel. We komen uit op 15 euro 35.

„Ik ga een huis kopen”, zegt mijn zus tegen een huisgenoot die de woonkamer binnenkomt.

De jongen kijkt naar het geld en knikt beteuterd. Mijn zus wrijft opnieuw in haar handen. Haar ogen schitteren. Zolang ik niets zeg, is het waar.