‘Roofkunst Gurlitt naar Joodse erven’

Gurlitts vader had geen recht op onteigende kunst, en dus zijn zoon ook niet, vindt restitutie-jurist Raue.

Peter Raue vliegt de spreekkamer binnen van zijn prestigieuze kantoor aan de Potsdamer Platz midden in Berlijn. Raue, onder meer gespecialiseerd in kunst-restitutierecht, heeft zich in de Duitse media fel uitgesproken tegen de wijze waarop de autoriteiten omspringen met de zaak-Gurlitt. De inmiddels 80-jarige Cornelius Gurlitt was als zoon van de verzamelaar Hildebrand Gurlitt in het bezit van een kunstschat die even groot als omstreden is: veel van de werken waren waarschijnlijk eigendom van Joden die moesten vluchten voor de nazi’s of door hen zijn vermoord. De schilderijen zijn achttien maanden geleden in het kader van een onderzoek naar belastingontduiking in beslag genomen. Toen dit onlangs bekend werd maakte verbazing snel plaats voor erg veel, vooral internationale, verontwaardiging door de houding van de Duitse autoriteiten: die stellen zich legalistisch op, dat de kwestie juridisch is verjaard, dat het een fiscale aangelegenheid is tussen Gurlitt en de staat. Gisteren maakte het openbaar ministerie in Augsburg bekend dat Gurlitt „spoedig” de kunstwerken die „niet verdacht” zijn zal terugkrijgen. Resultaat was opnieuw een woedende reactie van het Joods Wereldcongres in New York die de Duitse regering oproept om in te grijpen.

Ook Peter Raue vindt dat de kunst op grond van de Overeenkomst van Washington zo snel mogelijk terug moet naar de onteigende Joodse families. „Er beweegt wel al iets”, zegt hij. „De Bondsregering heeft een task force aan het werk gezet. Die zal nu de kwestie ter hand nemen. Aan het hoofd staat een goede vriendin van mij. „Welke eigendomsrechten bij de heer Gurlitt liggen, is moeilijk te zeggen. Maar in ieder geval is het niet zo eenvoudig als de heer Gurlitt zegt in Der Spiegel. Hij wil alle kunstwerken terugkrijgen, maar ik geloof dat dat hem nog eens kan tegenvallen. Ik denk dat dit hele Gurlitt-complex bewijst dat men er soms met de strafrechtsartikelen alleen niet uitkomt.”

Wat betekent dat?

„Dat men ook rekening moet houden met het aspect van de rechtvaardigheid en van het gezond verstand. We hebben geleerd summa ius, summa iniuria: de strikte toepassing van het recht leidt soms ook tot onrecht. In de praktijk betekent dit hier dat men naar mogelijkheden moet zoeken om de schilderijen die in de nazitijd geroofd zijn terug te geven aan de Joodse families die ze in hun bezit hadden.

„Dat geldt ook voor de musea die werken zijn kwijtgeraakt door de nazicampagne tegen zogeheten entartete Kunst. Gurlitt senior kreeg deze werken tijdelijk in bezit als trustee, die alleen het beheer voerde over het eigendom ten bate van de feitelijke eigenaars. Daarom kan Gurlitt junior nu niet eenvoudig zeggen: ‘Die houd ik nu voor mezelf’.”

Loopt de wet achter bij de nieuwe Duitse moraal?

„Dat zou ik niet snel zeggen, want de wet is niet zo hulpeloos. Maar wel dat de wet door de moraal verlicht zou moeten zijn. De droge wetsartikelen moeten door het gezond verstand van de mensen geïnterpreteerd worden, om tot aanvaardbare resultaten te komen.”

Veel mensen zeggen nu dat Gurlitt junior niet de eventuele misdaden van zijn vader kunnen worden nagedragen.

„Dat is onjuist. Volgens het erfrecht treedt hij in de plaats van zijn vader. Alles wat ik vader Gurlitt had kunnen tegenwerpen, kan ik ook de zoon tegenwerpen. Ik denk dat men vader Gurlitt na de oorlog heel goed had kunnen zeggen: ‘Deze schilderijen zijn niet uw eigendom. U heeft een duivelspact gesloten met Goebbels, en op de achtergrond Hitler. U heeft zich bereid verklaard een museum in te richten en datgene wat u om zich heen verzameld heeft om die misdaad uit te voeren, dat is niet uw privébezit.’ En daaruit kun je ook rechterlijke conclusies trekken.”

Waarom is dat niet gebeurd?

„Dat moet u aan de Beierse eenvoud vragen. Intussen krijgt men in de Bondsregering door welke dimensies deze affaire heeft aangenomen. Ik krijg telefoontjes uit New York van mensen die zeggen: ‘Zijn jullie daar allemaal helemaal gek geworden in Duitsland?’ Ik zeg dan dat men alleen maar in mijn Beierse Heimat gek geworden is. Het is dermate stumperig behandeld, deze zaak, dat je alleen maar je hoofd kunt schudden en je ontzetting erover uit kunt spreken. Dit toont het gebrek aan een zekere sensibiliteit.”

In die kranten staat ook een Weense museumdirecteur die gezegd heeft dat alle opwinding hypocriet is omdat iedere grotere kunsthandelaar in het zuiden van Duitsland wist dat die schat er was. Omdat Gurlitt wel eens wat verkocht.

„Ha, dat was wat overdreven. Inderdaad kende men enige werken. Maar de sensibiliteit voor schilderijen die om zo te zeggen gelieerd waren aan de nazi’s is in de afgelopen tientallen jaren pas een beetje gegroeid. In 1980 vroeg geen mens zich af of die schilderijen die ineens op de markt kwamen eigenlijk niet eigendom waren geweest van vermoorde Joden. De Overeenkomst van Washington volgens welke aangesloten landen zich verplichten al het mogelijke te doen om kunstwerken terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaars, is pas gesloten in 1998. Voorheen ontbrak het ook internationaal aan sensibiliteit.

„In Nederland had je natuurlijk de kwestie-Goudstikker [de overheid gaf de erven ruim 200 kunstwerken terug in 2006]. De situatie is toch verschillend van Duitsland. In uw land hebben de nazi’s huisgehouden, veel mensen die het meegemaakt hebben, wilden niet meer aan die periode herinnerd worden. Het is eigenlijk pas de tweede generatie na de oorlog die de taal daarvoor gevonden heeft. Ik heb ook gelezen dat het Nederlands Koninklijk Huis nu laat onderzoeken of er roofkunst in de eigen verzameling zit. Dat komt ook doordat er een nieuwe generatie is, die andere vragen stelt. De generatie van de betrokkenen, van de verdrevenen en vervolgden stelde geen vragen. Semprún heeft dertig jaar na de oorlog gezegd: ‘Na het overleven van de nazitijd had ik twee mogelijkheden: ik schrijf erover of ik leef, tegelijk kan niet, dus ik heb eerst maar eens geleefd.’”

Is Gurlitt uniek, of zijn er meer mensen in Duitsland met zulke kunstschatten?

„Nee, dit is absoluut uniek. Het bijzondere van deze zaak is, eenvoudig gezegd, dat we de gestolen werken bij de dief gevonden hebben. Als ik na dertig jaar de dief met mijn gouden ketting vind, kan hij niet eenvoudig zeggen: ‘Haha, het is verjaard en nu is het van mij.’ Hij kan het bezit niet verwerven door het verstrijken der jaren.

„Iemand die dertig jaar geleden te goeder trouw een stuk van Gurlitt gekocht heeft, kan men daar niet makkelijk op aanspreken. Maar hier hebben we degene die het werk gejat heeft. Die betrap ik zestig jaar later, en hij zal alles moeten afgeven wat hij onrechtmatig in bezit heeft.”