Moed tonen met Iran, Obama

Obama is gegijzeld door z’n bondgenoten, vinden Stephan de Vries en Hans Wiegel.

ILLUSTRATIE arcadio esquivel

Na het aantreden van de meer gematigde president Rouhani kregen de onderhandelingen over het nucleaire programma van Iran een positieve wending. In ruil voor concrete stappen die de voortgang van het nucleaire programma stoppen wordt gesproken over het afbouwen van de zware economische sancties die het Westen aan Teheran heeft opgelegd. Als we verschillende wereldleiders mogen geloven, is de kans op een doorbraak zeer groot.

Een akkoord dat op de lange termijn overeind blijft is echter verder weg dan het lijkt. Aan westerse kant is dat voor een belangrijk deel te wijten aan de afwachtende houding van Obama en de ruimte die hij aan bondgenoten laat om in het proces voortdurend als stoorzenders te functioneren. Natuurlijk moeten die bondgenoten gerede bezwaren kunnen uiten zonder daarmee direct tot spelbreker te worden gebombardeerd. Een deal hoeft ook niet koste wat het kost te worden gesloten: ook over de controleerbaarheid van de te maken afspraken moet uiteindelijk overeenstemming worden bereikt. Hun invloed reikt echter veel verder en het ontbreekt aan duidelijke grenzen aan de Amerikaanse inschikkelijkheid.

Nog voordat de details van een eventueel akkoord naar buiten werden gebracht sprak de Israëlische premier Benjamin Netanyahu zich al krachtig uit tegen de inhoud ervan. Het was „een slechte en gevaarlijke deal die het voortbestaan van Israël bedreigt”. Ook vanuit Saoedi-Arabië werd furieus gereageerd.

De kritiek van beide landen was voorbarig en weinig constructief. Dat is niet verrassend: zolang een totale ontmanteling van het Iraanse nucleaire programma daar geen onderdeel van uitmaakt zitten ze in Tel Aviv en Riad niet op een akkoord te wachten. Voor Iran is die eis onacceptabel, maar zelfs als een dergelijke stap zou worden genomen, dan zou dat het wantrouwen niet wegnemen. De huidige machthebbers in Israël, Saoedi-Arabië en Iran zien elkaar als wederzijdse aartsvijanden en hebben elkaar als zodanig ook nodig voor intern politiek gewin. Inmiddels doet zich zelfs het gerucht de ronde dat Israël en Saoedi-Arabië plannen zouden hebben elkaar te helpen bij een aanval op Iran als een akkoord te weinig garanties biedt.

Indirecte steun voor Israël en de Golfstaten kwam tijdens de laatste ronde van onderhandelingen onverwachts uit Parijs. Frankrijk, dat zich wel vaker streng opstelt jegens Iran en zich manifesteert als belangrijke bondgenoot van Israël, zou twijfels hebben over specifieke aspecten van de afspraak. Mede door die opstelling konden de onderhandelingen (nog) niet worden bezegeld met een voorlopige overeenkomst. Ook de keuze voor de harde lijn van Frankrijk komt grotendeels voort uit eigen belangen en ambities en misschien ook wel uit de impopulariteit in eigen land van de socialistische president Hollande. Deze voert nu een stevige buitenlandse politiek met nadrukkelijke aanwezigheid op dossiers als Syrië en Mali. Het land wil zich weer laten gelden als één van de grote spelers op het wereldtoneel. Het zichzelf aanmeten van een voortrekkersrol inzake het Iraanse nucleaire programma past in dat beleid.

Zowel het handelen van Israël en Saoedi-Arabië als dat van Frankrijk zijn voorbeelden van manieren waarop Obama zijn beleid door bondgenoten laat gijzelen. Met het dossier-Iran heeft Obama überhaupt nog maar weinig leiderschap getoond. Er is nauwelijks sprake van een eigen, doortastende Amerikaanse aanpak. De sancties zijn daar een mooi voorbeeld van: het was lange tijd het meest geschikte compromis dat voorhanden was, maar door de inzet ervan schuift Obama het maken van harde keuzes voortdurend voor zich uit. Dat biedt aan bondgenoten ruimte om hun eigen geopolitieke agenda gewicht te geven en erdoor te drukken.

Dat terwijl Amerika in dit dossier andere belangen en doelen heeft dan die bondgenoten. Voor de Amerikanen is een goede overeenkomst met Iran een belangrijke stap om rust te genereren in het Midden-Oosten. Dat zou zeer gelegen komen nu het de aandacht wil verschuiven richting de Pacific. Voor Israël en Frankrijk spelen dergelijke overwegingen veel minder een rol. In feite gedragen die landen zich als freeriders: ze stellen harde eisen en willen handen aan het stuur, maar weten heel goed dat het uiteindelijk Amerika is dat de verantwoordelijkheid zal moeten dragen.

Van Netanyahu, koning Abdullah en Hollande is een dergelijke houding begrijpelijk, maar – als Amerika een deal met Iran wil – op den duur ook onhoudbaar. Het is daarom aan Obama om er kordaat paal en perk aan te stellen. Dat kan maar op één manier: doorpakken met een eigen beleid, waarin harde keuzes worden gemaakt en (de belangen van) bondgenoten niet langer worden ontzien. Een kans op een overeenkomst met Iran zoals die zich nu voordoet komt niet vaak langs. Als Obama het politieke lef niet heeft om die kans te verzilveren kan hij verdere onderhandelingen beter direct helemaal afblazen. Dat zal stevige consequenties hebben, maar dan kan hij er in ieder geval zeker van zijn dat bondgenoten tevreden blijven. Dat is altijd nog beter dan het heilloze pad dat hij nu bewandelt.