Column

Karmapunten

Laatst schreef ik een lofzang op plastic tasjes. Daar kwamen wat boze mails van, eentje met enge beelden van een potvis die in plastic tasjes was gestikt, maar er zat ook een vriendelijk berichtje bij van ene Angeniet Kam.

Ze was „verdrietig” geworden van m’n stukje en hoopte dat ik ooit nog wilde schrijven „over de andere kant”. Ze ruimde wekelijks een stukje strand bij Bloemendaal op en nodigde me uit eens mee te komen rapen.

Welja.

In de auto, op weg naar Bloemendaal, ging het op alle radiozenders over de Filippijnen. „Wat heb je zelf met deze ramp?” vroeg een verslaggever aan een van de vele, gretige weldoeners. Ik dacht aan de dichtregel van Pessoa: ‘God zij geprezen dat ik geen goed mens ben.’

Iets later liep ik op het strand met Angeniet. Ze bleek geen lobbyist of activist, wat ik even had gedacht, maar ging gewoon elke maandag even „plastic soep rapen”. De andere vier dagen werkte ze als docent voor de TU Delft.

Haar broer raapte ook plastic, trouwens, onafhankelijk van elkaar waren ze ermee begonnen.

Bij haar was het begonnen met één flessendopje, zei ze, nadat ze een filmpje had gezien over de ‘plastic soep’, die in de oceanen drijft, volgens sommigen een soep met de omvang van een continent.

„Het is idioot wat ik doe, natuurlijk”, zei ze, „een druppeltje, maar wel een dankbaar druppeltje”. En het was voor haar ook een boeddhistische oefening.

Ze gaf me een handschoen, en een plastic vuilniszak.

Als je er eenmaal op ging letten, zei ze, zag je het overal. Vanochtend fietste ze langs de plek van een fietsongeluk, er lagen nog stukjes rood-wit politielint en plastic verpakkingen van verdovingsspuiten. Die had ze ook opgeruimd.

Eerst liepen we langs de waterlijn. Het was nevelig, weinig verschil tussen zee en lucht. Er lag nauwelijks plastic. Angeniet bukte en raapte wat op; het bleek een stukje lijsteen.

We kwamen langs wat garnalenvissers met sleepnetten. Ze stortten hun vangst in witte, plastic bakken, in jaren was de vangst niet zo goed.

Angeniet keek in de bak met de wriemelende grijze beestjes, en trok aan iets transparants dat eruit stak – het bleek de staart van een platvisje.

We liepen naar de voet van de duinen. Daar vonden we een verbleekte Mickey Mouse-heliumballon – en er lag hier nog véél meer. Het grote rapen begon.

Eerst voelde het als een soort taakstraf, al snel kreeg het iets boeddhistisch inderdaad, iets overzichtelijks als sportvissen: je ogen over het zand te laten glijden, speurend naar dopjes, flesjes, tandenborstels, aanstekers – had je beet, dan werd je blij.

Plastic strandjutters, we waren een schilderij van Mesdag. Met twee halfvolle vuilniszakken keerden we terug naar de boulevard. Voldaan.

We hadden karmapoints verdiend, zou haar dochter zeggen. Inderdaad, dacht ik, goed zijn doe je voor jezelf.

Toen ze even als grap voorstelde om al het plastic gewoon terug op het strand te kieperen – niemand kon ons iets maken, het kwam er toch vandaan – begon ik haar in toenemende mate te mogen.