Het tweede leven van de biografische speelfilm

De biopic – of biografische film – gold als een versleten genre, maar maakte sinds de jaren negentig een comeback. Wat is er zo aantrekkelijk aan?

Julian Assange is niet de enige beroemdheid met een eigen biopic (biografische film) dit jaar: onder meer Steve Jobs, pornoster Linda Lovelace, Franklin D. Roosevelt, Lincoln, Liberace, Hitchcock, Thatcher, prinses Diana, pornokoning Paul Raymond en kungfu-held Ip-Man gingen hem voor. Spoedig verwacht: Mandela, Allen Ginsberg, P.L. Travers en Grace Kelly.

Niet zo lang geleden stond de biopic in slechte reuk. Kenners associeerden het genre met oubollige films over Grote Mannen, gemaakt volgens standaardrecept door tweederangs regisseurs. Tussen 1927 en 1960 rolden er zo’n 300 van Hollywoods lopende band, berekende George F. Custens in zijn studie Bio/Pics. Het stramien: Grote Man – Edison, Rembrandt, Zola – botst met zijn baanbrekende ideeën op conservatisme, maar overwint weerstanden, met als apotheose vaak een soort proces. Stond een vrouw centraal – Elizabeth I, Marie Curie – dan was dat leven vaak tragisch, want succes liet zich moeilijk verenigen met het ware geluk van huwelijk en moederschap.

Biopics gingen in de jaren vijftig steeds vaker over mensen die innerlijke demonen overwonnen, maar het genre bereikte in de jaren zeventig een dieptepunt: toen was de biopic verworden tot docudrama of soapachtig tv-amusement over gewone mensen die iets vreselijks overkomt.

Anno 2013 is de biopic een prestigieus genre voor ‘filmauteurs’ als Oliver Stone, Spike Lee, Gus Van Sant of Mike Leigh. In de jaren negentig maakte de biopic nieuwe stijl school, over antihelden – losers, zwendelaars, maffiosi of seriemoordenaars. Soms als sociale kritiek of satire, vaker om een tijdvak tot leven wekken of een idee te illustreren: zo was The People vs. Larry Flynt (1996) een portret van een lompe pornoboer én een pleidooi tegen censuur.

Ook de beroemdheid die obstakels of zwaktes overwint, keerde terug: Ray Charles en heroïne, Johnny Cash en speed, George VI en stotteren. Hun levens worden vaak experimenteel verteld: zo zoomt Ali (2001) volledig in op comebackgevecht van Muhammad Ali in Zaïre en kijkt een dementerende Thatcher in The Iron Lady (2011) terug op flarden uit haar leven. Nog verder gaat de postmoderne biopic, die teruggrijpt op Citizen Kane (1941). Die benadrukt dat we niemand ooit echt kennen: zo wordt Bob Dylan in I’m Not There (2007) gespeeld door vijf acteurs die elk een rol van dit ongrijpbare idool belichamen.

Wat maakt een biopic zo aantrekkelijk? Geldschieters steken hun geld liefst in iets bekends, regisseurs kunnen in het genre grote kwesties combineren met intiem drama, acteurs weten dat een transformatie tot bekend persoon Oscars oplevert: vorig jaar nog voor Daniel Day-Lewis als Lincoln. De biopic is springlevend.

Coen van Zwol