Gestolen goud uit WOII, maar nu zonder nazi’s

Auschwitz-overlevende Riven Flamenbaum ruilde een pakje sigaretten voor een kostbaar goudtablet Of was het een salami? Zijn dochter moet het nu teruggeven aan een Berlijns museum

Berooid belandde de Poolse Jood Riven Flamenbaum in het voorjaar van 1945 in een opvangkamp voor ontheemden, in Duitsland. Hij had vier jaar Auschwitz overleefd. En in het opvangkamp, zo vermoedt zijn dochter Hannah, begon hij waar hij altijd goed in was geweest: ruilhandel. Hij ruilde pakjes sigaretten (merk Red Cross) voor zilveren en gouden munten.

Met één van die pakjes kocht hij van een Russische soldaat een gouden tablet, ter grootte van een pasfoto, met spijkerschriftinscripties erop. Het kan ook een salamiworst zijn geweest waarmee Flamenbaum de Rus betaalde; hij zou aan zijn drie kinderen later verschillende versies van de herkomstgeschiedenis van het gouden tablet vertellen.

De Russische soldaat had het tablet gestolen uit de opslag van een Berlijns museum. Toen Flamenbaum in 1949 met een vrouw uit het opvangkamp naar New York emigreerde, nam hij het ding mee. Daar ging hij in een drankwinkel op Manhattan werken. Een paar jaar later gebruikte hij het tablet, en zijn kleine verzameling munten, als onderpand voor een lening waarmee hij de zaak overnam. Toen hij de lening had afbetaald, kreeg hij het kleinood weer in bezit.

Flamenbaum heeft nooit de exacte waarde van het ding gekend. Een taxateur kwam ooit tot het bedrag van 100 dollar. En toen Flamenbaum naar Christie’s ging, in 1954, zei het veilinghuis dat het een vervalsing was.

Het museum wilde het terug

Toen vader Riven overleed, in 2003, schreef zoon Israël het Vorderasiatisches Museum in Berlijn een brief over het tablet. Dit was zeer tegen de zin van zijn zus Hannah, de executeur-testamentair. Het museum reageerde direct: ja, ze wilden het terug. Het gouden tablet was een topstuk van het museum. Duitse archeologen hadden het plaatje in het begin van de twintigste eeuw gevonden tijdens opgravingen in de Assyrische stad Ash-tur, in het huidige Noord-Irak. Het is gemaakt rond 1200 voor Christus en beschrijft de bouw van de vruchtbaarheidstempel, in opdracht van een koning met de naam Tukulti-Ninurta I. Waarde? Zo’n 8 miljoen euro.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was het tablet de opslag in gegaan. In 1945, zo bleek tijdens een collectie-inventarisatie, was het verdwenen.

Omdat dochter Hannah het tablet niet aan het museum wil geven (voor haar valt te praten over een Holocaust-museum of één in in Israël, maar geen Duits museum) stapten de Duitsers naar de rechter, in New York.

Rechter gaf museum gelijk

Drie jaar geleden volgde al de eerste uitspraak: omdat kunstdiefstal in Amerika niet verjaart (anders dan in Europa), meende de rechter dat het museum meer recht had op het bezit dan de familie Flamenbaum. Toch mocht de familie het houden, omdat het museum volgens de rechter nalatig was geweest: het had pas actie ondernomen toen het tablet in de nalatenschap van de Holocaustoverlevende Flamenbaum opdook, terwijl die het al in de jaren vijftig bij veilinghuis Christie’s had laten taxeren.

Het museum ging in beroep en vorig jaar stelde een rechter dat het tablet naar Duitsland moest: het museum had aannemelijk gemaakt dat het tot 2006 geen weet had van de verblijfplaats. Dit keer ging de familie in beroep en vorige week bevestigde een hogere rechter het vonnis uit 2012: het tablet moet naar Duitsland.

De advocaat van de familie had tijdens het proces een interessant pleidooi gevoerd. Hij sprak over een recht op plunderen, of in ieder geval op „bezitsverkrijging via het recht op verovering”. Hoezo dat? Tijdens het Sovjetregime van die dagen, zo toonde hij aan, was het expliciet toegestaan Duitse eigendommen te roven en te plunderen, ter compensatie voor de verwoestingen van de oorlog. Speciale trofeeënbrigades roofden maar liefst 2,5 miljoen Duitse kunstwerken. Of Flamenbaum het goud had geruild of zelfs gestolen – bijvoorbeeld als vergelding voor de dood van zijn familie in Auschwitz – maakte in dat opzicht geen verschil, volgens de advocaat.

Tevergeefs, zijn cliënt verloor. De Amerikaanse advocaat die de belangen van het Duitse museum behartigde, stelde na afloop tevreden vast dat er geen „recht op plunderen” bestaat.

De advocaat van de teleurgestelde familie hintte op hypocrisie. Waarom zou de rechter weigeren te erkennen dat „legaal eigendom” wordt gegenereerd „via het recht op verovering”? Waarschijnlijk, gaf hij zelf als antwoord, om te voorkomen dat de deur open komt te staan voor iedereen die door nazi’s geroofde kunst heeft. „Je kunt niet volhouden”, zei hij „dat de VS het recht op verovering niet erkennen. Dit hele land is immers uit dat recht voortgekomen.”