Een streepjestrui voor de koning

foto Katrijn van Giel

Nooit heb ik een normale baan gehad, zo’n baan waarmee je elke maand een vast salaris verdient. Ik wilde tekenen en schrijven en hoopte daar ooit van te kunnen leven. Omdat het niet meteen lukte, nam ik losse klussen aan, zoals op hobbybeurzen emailleren voordoen. Dat was in de tijd dat email nog emaj was en niet iemeel.

Risicovol je geld bij elkaar zien te krijgen en weten dat je betere en mindere tijden hebt, vraagt om een financiële buffer. Al verdient niet elke zelfstandige daar genoeg voor, of moet die voorraad soms voortijdig worden aangesproken. Je huis kan je pensioen zijn, als het verkoopbaar is en je kleiner gaat wonen. Maar de woningen in Nederlandse steden zijn vaak al zo klein.

Ik woon in België. Onze voormalige koning Albert, die een zeer flinke financiële buffer heeft, vroeg de federale regering onlangs vergeefs om wat extra’s naast de 900.000 euro jaarlijks pensioen die hij krijgt. De verwarming in paleizen zal veel kosten. Ik werd een keer, toen hij nog koning was, met een heleboel anderen op het Kasteel van Laken uitgenodigd. Verwarmingskosten speelden toen niet, want het was een bloedhete middag. Helaas zouden de water- en wijnflessen pas na enige uren worden geopend. Menigeen kon daar niet op wachten en gebruikte een kraan in de koninklijke toiletten.

Ik kan me voorstellen dat de echt rijken zo vanzelfsprekend rijk leven dat ze zich zorgen maken als ook zij achteruit moeten. En dat uit belastinggeld betaalde extreem hoge salarissen als normaal worden beschouwd door degenen die ze ontvangen. Deze mensen moeten dan wel van zichzelf denken dat ze uniek en onmisbaar zijn, rechtevenredig met wat ze verdienen.

Uniekheid is iets wat je scheppende kunstenaars kunt toeschrijven, al geldt dat niet altijd. In elk geval is er bij kunstenaars geen verband tussen hun kwaliteiten en hun inkomsten. Er zijn zeer goede schrijvers, dichters en beeldend kunstenaars die weinig verdienen en er zijn zeer goede die veel verdienen. Kunstzinnige gedrevenheid komt ergens anders vandaan.

Als onmisbaarheid een criterium is, dan zouden vuilnismannen aanzienlijk meer salaris moeten krijgen. Doe ik mijn werk drie maanden niet, dan gebeurt er – behalve in mijn eigen hoofd – niets verontrustends. Doen zij het drie maanden niet, dan komen de ratten tevoorschijn en blijven de toeristen weg. Dat laatste schijnt niet iedere Amsterdammer erg te vinden, maar economisch heeft het nogal een impact.

We leven in een wereld waar status en verdiensten sterk aan elkaar zijn gekoppeld. Nu dat zo is, laat dan bijvoorbeeld de status van wie onderwijst maar weer flink omhoog gaan. We hebben er al het powerwoord leerkracht voor. Mijn grootvader werd begin twintigste eeuw in zijn dorp als hoofdonderwijzer samen met de burgemeester, de notaris en nog enkele lieden tot de notabelen gerekend, wat hem overigens niet minder bescheiden van aard maakte. Hij deed veel voor de kenniseconomie, door de ouders van goed lerende jongens (meisjes hadden nog niet veel kansen) te overreden hen naar de middelbare school in de stad te sturen en niet al aan het werk te zetten.

Op mijn achtste bleek dat ik geen enkel talent had voor breien. De wanten die ik op school voor eigen gebruik moest maken, pasten zelfs mijn jongste zusje niet. Had ik dat talent wel, dan breide ik voor onze gepensioneerde koning van zwarte, gele en rode wol een majesteitelijke streepjestrui om, met de verwarming wat lager, op winterse dagen te dragen.

Joke van Leeuwen (1952) is een Nederlandse schrijver, dichter, illustrator en performer. Ze woont in Antwerpen.