Wantrouwig terug naar de toekomst

Koester hoop, of hou je hart vast: morgen publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de maandelijkse meting van het consumentenvertrouwen. In dat cijfer is een aantal deelvragen vervat: het oordeel over de economie in de laatste twaalf maanden, de economie in de volgende twaalf maanden. De eigen financiële situatie toen en straks en de bereidheid om grote aankopen te doen. De positieve en negatieve antwoorden leveren samen een getal op. En dat getal is de laatste jaren onthutsend laag. In februari van dit jaar werd nog een (seizoensgecorrigeerd) dieptepunt bereikt van -44. Dat cijfer is daarna opgeklommen tot -27 in oktober. De hoop is dan ook dat de score weer wat klimt.

Sinds jaar en dag gaat het verhaal dat economen vooral letten op de ‘koopbereidheid’. Die zou de toekomstige situatie het beste voorspellen, en dus het meest waardevol zijn. Dat lijkt inderdaad voor de hand te liggen: het is de enige vraag waarop het antwoord een concreet voornemen herbergt. Maar opmerkelijk genoeg is het niet helemaal waar.

Na een groot aantal correlatieberekeningen met het consumentenvertrouwen en de economische groei) blijkt dat de deelvraag die de economie verreweg het best voorspelt, het oordeel over de economische situatie van de laatste twaalf maanden is. Hij steekt er echt met kop en schouders bovenuit. Hoe dat kan? Daar kun je alleen maar over speculeren. Je zou toch denken dat de koopbereidheid de beste is. Of de economische situatie in de volgende twaalf maanden.

Kennelijk weet de consument de economie van het moment vrij goed in te schatten. En zelfs als hij of zij optimistischer is over de toekomst dan over het verleden, dan nog kan sprake zijn van gezond wantrouwen. Eerst geloven, dan zien, dan pas écht geloven, daarna pas handelen.

Er zou natuurlijk nog eens een echte wetenschapper overheen moeten. Maar als de uitkomst standhoudt, zou dit betekenen dat de indicator waar we morgen (en voortaan) het best op kunnen letten, het oordeel over de economische situatie in de afgelopen twaalf maanden is. Daar is op dit moment overigens vrijwel alleen maar een verbetering mogelijk, want de stand is hier buitengewoon laag. In maart werd een dieptepunt van -78 bereikt, terwijl het oordeel over de komende twaalf maanden al -45 was. Een record is dat overigens niet: in maart 2003 was er een bijna-consensus dat het slecht was gegaan met de economie, van -87.

Maar goed, het gaat nu beter. In de laatste meting, die over oktober van dit jaar, is het oordeel over de economie in de laatste twaalf maanden -60, terwijl dat voor de economie in de komende twaalf maanden al is opgeklommen tot -8. De consument is dus al bijna neutraal in zijn oordeel over de economische toekomst.

Wat zegt dat? Gezien al het bovenstaande, doet die -8 veel minder ter zake dan die -60 over het verleden. Kijken hoe het morgen uitpakt. Het raadsel blijft: waarom voorspellen consumenten hun eigen gedrag beter als zij in de achteruitkijkspiegel kijken?

Dan nog even dit: vrijdag stond hier dat het ministerie van Economische Zaken de vorige ochtend nog sprak van een economische krimp in het tweede kwartaal, terwijl het CBS dat juist had bijgesteld tot nulgroei. Maar nee, EZ belde met de mededeling dat het zich baseerde op de ruwe data van het CBS over het bbp. Daarin is inderdaad sprake van een met het blote oog nauwelijks zichtbare economische krimp van 0,0295 procent. Dat het CBS dit naar lang gebruik afrondde naar 0 procent, doet daar volgens EZ niets aan af. Het departement krijgt bij deze gelijk.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.