Krimp die bankensector in, dan pas is groei mogelijk

Economische groei kan niet zonder financiële krimp. Onze schulden, vooral in huizen, zijn te hoog, schrijft Dirk Bezemer.

Nederlanders hebben al lang uitzonderlijk hoge schulden. Nederland heeft ook een zeer grote financiële sector. Die combinatie is geen toeval. Iedere lening is tegelijk een schuld, dus een grote financiële sector (veel uitstaande bankkredieten) betekent: veel schuld. Dat schaadt de economie. Internationaal onderzoek laat dan ook zien dat landen met grotere financiële sectoren instabieler en minder innovatief zijn, met minder investeringen en lagere economische groei.

Dit gegeven vraagt om een mentaliteitsomslag. We moeten van een beleid gericht op banken redden naar een strategie voor financiële krimp. Onder Kok en Balkenende moest de Zuidas het hart van de Nederlandse economie worden. De financiële sector moest groeien op een golf van warme Oranjegevoelens voor de captains of finance. Dat is gelukt. De omvang van de financiële sector wordt gemeten als de hoeveelheid uitstaande bankkredieten gedeeld door het bruto binnenlands product (het bbp).

Deze verhouding was 86 procent in 1990, maar 226 procent nu: ruim twee keer de economie. Dat is drie keer zo hoog als in Italië, Japan of Frankrijk en ruim boven Denemarken, Zweden of Portugal. Zorgwekkend, want iedere lening is ook een schuld. Terwijl we ons dagelijks bekreunen over de overheidsschuld – die met 73 procent van het bpp lager is dan in Duitsland – krijgt de drie maal hogere private schuld pas nu wat aandacht. Een vreemde situatie.

Hoe komen we aan die hoge schuld? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: doordat we te veel geleend hebben. Maar zo simpel is het niet. Lenen is goed voor de groei, mits de lening productief ingezet wordt. Schuld en bbp groeien dan gelijk op, en de schuld/bbp-verhouding blijft gezond. Problemen ontstaan als de schuld harder groeit dan de economie. Onderzoek laat zien dat dit met name gebeurt als er veel geleend wordt om bestaand vastgoed en vermogenstransacties te financieren. Het bpp groeit er vrijwel niet van, schulden en huizenprijzen wel.

Hier zit de pijn. In 1990 ging nog de helft van Nederlandse bankleningen naar Nederlandse bedrijven. Nu is dat minder dan 30 procent. Het aandeel hypotheken verdubbelde intussen. Daar is de bankensector zo groot van geworden. Uit internationaal onderzoek komt een krediet/bbp-verhouding van rond de 100 procent naar voren als optimaal voor economische groei, een punt dat wij in 1995 passeerden.

Onze bankensector is al twintig jaar groter dan goed voor ons is. Toch wordt die realiteit nog niet onder ogen gezien. De schuldbubbel voelde misschien als het nieuwe normaal, zeker voor de generatie politici die in de jaren ‘90 volwassen werd. We proberen nog steeds de bankensector in haar opgeblazen vorm te steunen en waar nodig te redden. Terwijl het beleid moet gaan over krimp van schulden, zodat er weer economische groei kan komen. Dat betekent dus ook krimp van de bankensector.

Waarom? Banken creëren schulden zoals een bakker brood bakt. Daar leven ze van. Je kunt niet minder brood gaan kopen en alle bakkers in bedrijf willen houden. Je kunt geen schulden reduceren en de banken groot willen houden.

Doen we hier niets mee, dan gaan we een lange periode tegemoet van natuurlijke schuldreductie, door afbetalingen en faillissementen. Dit zuigt koopkracht uit de economie, dus zo blijft kwakkelen. Gezien de hoogte van de schuld wordt dat een langdurig proces. Laten we zeggen een decennium van nulgroei en recessie. Te somber? We zitten al vijf jaar in ‘de’ crisis, en acht van de afgelopen negen kwartalen was er economische krimp. Het kan anders.

Hypotheekaflossing zonder vraaguitval kan gestimuleerd worden door ons overvloedige spaargeld te mobiliseren, via fiscaal vriendelijke schenkingen en hypotheekaflossing uit pensioenen, zoals onlangs voorgesteld. Financiering voor de productieve sector kan gestimuleerd worden via de ‘Basel regels’. Nederland zou een investeringsbank kunnen (her)oprichten.

Bij de huidige overvloed aan spaargeld en de ultralage rente kan een investeringsbank die 3 procent reële rente biedt miljarden ophalen. Projecten genoeg: onderwijs, infrastructuur, de zorg – allemaal sectoren met een langetermijnrendement van ruim boven de 3 procent, zodat van subsidie geen sprake hoeft te zijn. Recent onderzoek wijst uit dat we in de afgelopen decennia te weinig in zulke vormen van publiek kapitaal geïnvesteerd hebben. In die zin is de crisis ook een kans om recht te zetten wat sinds de jaren ‘90 scheefgegroeid is.