Keurige mensen, de asielzoekers van Uithuizen

Uithuizen is een krimpkern van 5.000 inwoners in Noord-Groningen Bijna 500 vluchtelingen uit Syrië, Eritrea en Iran krijgen er nu onderdak in het Energy Village Hotel

verslaggever

Dwars door de striemende regen stappen zes silhouetten de Groningse leegte tegemoet. Terwijl schapen zich op een heuveltje aan elkaar warmen, lopen zij over het fietspad langs het soppende grasland. Onder hun capuchons fluisteren ze Arabisch. In de verte spoort het boemeltje, op weg naar de laatste halte in Roodeschool. „Zijn we hier eigenlijk in Friesland?”, vraagt apotheker Khaled Suheim.

Een aantal dagen woont de Syriër nu in Uithuizen, een droevige krimpkern van vijfduizend zielen in Noord-Groningen. Met 458 vluchtelingen uit Syrië, Eritrea en Iran krijgt hij onderdak in het Energy Village Hotel. Vandaag willen hij en zijn vrienden naar Groningen. Om kleren te kopen – meer dan zijn trui, T-shirt, jas, spijkerbroek en boxershort bezit hij niet. En voor een nieuwe telefoon. „Ik moet mijn familie vinden”, zegt Khaled Suheim. „Dat kan niet zonder internet.”

In de overdekte winkelpassage in het dorp warmen de jongens zich aan een kop thee. Alleen de slijter en de snackbar zijn open. „Jullie zijn mijn eerste asielzoekers”, zegt de Vietnamese uitbaatster in haar beste Engels. Maar de jongens hebben geen oog voor haar. Ze willen van de verslaggever weten waar ze in Nederland moeten zijn om gelukkig te worden.

Ik ben bij toeval in jouw land, zegt Bakri Helami, een maatschappelijk werker van 32 jaar uit Aleppo. Met twee anderen kwam hij met een vrachtwagen uit Turkije naar Europa. De reis kostte hem 5.000 euro. Onderweg stopten ze twee keer, om geblinddoekt van truck te wisselen. De eerste reisgenoot belandde in Kopenhagen, nummer twee reed naar Zweden en Helami stapte uit in de polder, onder Amsterdam. Bakstenen huizen met rode dakpannen. „Denk je dat ik hier snel een baan kan vinden?”

Gucci-schoenen en designer bril

De asielzoekers zijn keurige mensen, had hotelbaas Ferdinand Görs over zijn nieuwe bewoners verteld. Toen de eerste veertig op 1 november aankwamen, heeft hij ze om de beurt een hand gegeven. Bijna allemaal jonge kerels, zag hij, en van goede komaf. „Ze waren heel beleefd. Sommigen droegen schoenen van Gucci, ik zag een designer brilmontuur. En ik moet bekennen: toen was ik opgelucht. Geen lieden die nog onder het vuil zitten van een tentenkamp. Ik moet niet hebben dat asielzoekers mijn tweehonderd betalende hotelgasten wegjagen.”

Görs is een handige jongen uit Groningen-stad. Hij heeft zijn „business” in de Groningse Eemshaven, vertelt hij boven een roerei. Hij verhuurt kranen, helpt buitenlandse gasfitters, betonvlechters en andere arbeiders aan uitzendwerk en laat hen overnachten in een van zijn 350 hotelbedden – voor 50 euro per nacht. Soms huurt hij een heel huis. Zoals voor zijn schoonmaaksters uit Litouwen. „Zes meiden zitten in een kast van een huis in Uithuizen. Vrijdag ben ik nog met ze wezen stappen. Ze gingen helemaal uit hun dak.”

Op 13 september stond het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) bij Görs op de stoep. Stafmedewerker Klaas Heerema zocht dringend opvangplekken voor vluchtelingen. De hotelbaas onderhandelde „over zijn huurpenningen”, raadpleegde zijn gasten en nu staat alles klaar.

In containerunits met namen als Zaventem en Heathrow zijn twee- en driepersoonskamers ingericht, van 18 en 20 vierkante meter. Met voor elke vluchteling een bed en een af te sluiten kast, op iedere kamer wifi, tv, een koelkast en een waterkoker. De hotelgasten en asielzoekers hebben hun eigen opgang, met slagboom, pasjessysteem en na tienen geen lawaai. Een meterslang hekwerk moet voorkomen dat ze elkaars wereld binnenlopen.

Dit is een toplocatie, zegt COA-medewerker Klaas Heerema in de eetzaal waar de bewoners zich storten op kalkoen-cordon bleus en één veganist zijn in olie bereide maaltijd inspecteert. Ferdinand Görs glimt van trots. „Ik heb vier koks. Als je ziet wat de asielzoekers hier allemaal krijgen, mogen we trots zijn op Nederland.”

Dat is burgemeester Marijke van Beek (D66) ook. Op een voorlichtingsbijeenkomst met omwonenden twee weken geleden viel geen onvertogen woord. „U neemt een welwillende houding aan, daar ben ik ongelooflijk trots op.” Het COA levert per direct veertien nieuwe banen op en de asielzoekers mogen vrijwilligerswerk doen in Uithuizen. Daar zijn zestien buurtverenigingen, tel uit je winst. De buren van de achttiende-eeuwse Menkemaborg hebben al gevraagd of nieuwkomers willen helpen met de kerstmarkt.

Maar de ondernemers aan het dorpsplein zijn gereserveerder. Dat komt door hun ervaringen met het vorige opvangcentrum. Sommigen haalden hun vingers door de potten pindakaas en chocopasta, vertelt een kassamevrouw van de Aldi. En er zijn asielzoekers uit onder meer Mongolië door de politie gepakt, die op bestelling winkeldiefstallen pleegden.

„Om de dag kwamen ze grote hoeveelheden geld op hun rekening storten”, vertelt een medewerkster van het ‘ING-servicepunt’ dat is ondergebracht in de boekhandel. „Door vrouwen wilden ze niet geholpen worden. We hadden een alarmknop onder de balie en een hotline met de politie.” De eigenaar van de tabakszaak: „Kwamen ze met z’n vijven binnen, pakten ze alles wat voor het grijpen lag.” De ING-medewerkster: „Maar nu is meneer Görs van het hotel langs geweest. Als er een probleem is, mogen we hem direct bellen.”

Terug zodra de oorlog voorbij is

Ik heb in Damascus farmacie gestudeerd, vertelt de 24-jarige Khaled Suheim boven zijn kop thee in Snackpoint Uithuizen. „En ik werkte als manager bij El Saad Pharma.” Totdat de oorlog in Aleppo uitbrak en het hoofdkantoor zijn deuren sloot. Suheim ging slachtoffers helpen in een clandestien ziekenhuis. Maar hij werd verraden en vluchtte met zijn familie het land uit. Via Libanon belandden ze in Egypte. Alleen zijn Syriërs daar hun leven niet veilig meer sinds president Morsi is afgezet.

Khaled en zijn broertje van zestien namen de boot naar Italië. Veertien dagen lang zaten ze op zee. „Met 280 man op een vissersboot. Na vijf dagen was het eten op.” Toen ze in Sicilië de haven binnenvoeren, werden ze gescheiden en belandde Khaled zonder zijn tassen in de cel. „Samen met twee anderen weigerde ik mijn vingerafdrukken af te staan. Toen kregen we van de politie klappen en stroomstoten. Ik schijn een half uur bewusteloos op de grond te hebben gelegen. Drie dagen later heb ik ze alsnog afgestaan. Daarna vlogen ze me naar Amsterdam en kwam ik via Ter Apel hier in Uithuizen terecht.”

De ouders van Khaled zitten nog in Egypte, hij hoopt dat hij hen kan laten overkomen. Zijn jongste broertje zit bij bekenden in Libanon, van een andere broer weet hij niet waar die is. „Ik wil nu naar Groningen, anders zitten we vanavond nog zonder smartphone”, zegt Bakri Helami. „We moeten via internet op zoek naar familie. Er is geen tijd te verliezen.” Tegen de verslaggever: „En denk nou niet dat we in jouw mooie land willen blijven. Als de oorlog voorbij is, gaan we zo snel mogelijk terug om ons land weer op te bouwen.”

Een dag later hangt Khaled Suheim aan de lijn. Ik heb mijn nieuwe telefoon, juicht hij, gekocht in Groningen – „een prachtstad met jonge mensen waar je echt alles kunt kopen”. En weet je wat het mooiste is? Zijn broertje met wie hij vanuit Egypte naar Italië kwam, zit ook in Nederland, in Oisterwijk. „Is dat Friesland, weet jij dat?” VluchtelingenWerk gaat proberen de twee bij elkaar te brengen. „Met een beetje geluk zijn we binnenkort weer samen.”