‘Je schoot met z’n allen tegelijk’

Indië-veteraan Han Grijzenhout vertelt hoe hij onschuldige burgers doodschoot in opdracht van de inlichtingendienst van de marine op Oost-Java. Grijzenhout vindt dat Rutte bij zijn bezoek deze week aan Indonesië excuses moet aanbieden.

Han Grijzenhout (links) is gefotografeerd in het kader van het fotoproject Kembang Kuning (Gele Bloem), waarin Marjolein van Pagee portretten maakt van Nederlandse en Indonesische veteranen die vochten rondom Surabaya. Grijzenhout wisselde van kleding met deIndonesische vrijheidsstrijder Bpak Wardi, met wie hij in de gevangenis vriendschap had gesloten. Een tank rijdt door een huis in een kampong (onder). Foto Marjolein van Pagee

In het album van Indiëveteraan Han Grijzenhout (85), zit een opmerkelijke, nooit eerder gepubliceerde foto: een Nederlandse tank met het opschrift ‘Lunetten’ rijdt dwars door een kamponghuis. Op een volgende foto zien we een vrolijke Grijzenhout, gekleed in traditionele sarong terwijl een Indonesische vrijheidsstrijder zijn uniform aanheeft. Het is precies de paradox waarin de gepensioneerde psycholoog zich twee jaar lang bevond als marinier bij de inlichtingendienst op Oost-Java.

Om te overleven moest hij meevechten in een oorlog die hij al snel als onrechtmatig zag, tegen mensen met wie hij gaandeweg ging sympathiseren. Grijzenhout voelt zich daarom misleid door de Nederlandse overheid, die 135.000 militairen naar de dekolonisatieoorlog in Nederlands-Indië stuurde. Volgens de veteraan maakten Nederlandse mariniers zich op Oost-Java schuldig aan oorlogsmisdaden zoals martelingen, schieten op onschuldige burgers en het onnodig verwoesten van kampongs. Het „ellendige schuldgevoel” dat hij daaraan overhield zorgt er al meer dan vijfenzestig jaar voor dat hij niet alleen durft te slapen en van tijd tot tijd last heeft van hevige angsten.

De getuigenis van Grijzenhout is volgens historici uniek, want nooit eerder kwam er zo’n openhartige getuigenis over het optreden van de inlichtingendienst van de marine op Oost-Java naar buiten (zie kader). Überhaupt is er erg weinig onderzoek gedaan naar het optreden van inlichtingendiensten tijdens de dekolonisatieoorlog. Tijdens de handelsmissie van premier Rutte aan Indonesië die morgen start komt er geen algemeen excuus: de premier is van mening dat ‘de geschiedenis loopt zoals de geschiedenis loopt’. Grijzenhout: „Nederland moet wel degelijk zijn excuses aanbieden en de feiten openbaar maken. Wij hebben daar vreselijke dingen gedaan en mogen als Hollanders niets goed praten. Wat fout was, was fout, klaar.”

Schieten op vrouwen en kinderen

De in de Jordaan geboren en getogen Amsterdammer belandde als 19-jarige jongen bij de inlichtingendienst van de mariniers, de Veiligheids Dienst Mariniers Brigade (VDMB). De mariniers vormden een relatief kleine eenheid tijdens de oorlog met 5.000 man naast 70.000 militairen van de koninklijke landmacht en 40.000 van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Grijzenhout zelf was geen voorstander van deelname aan de oorlog geweest, maar zijn vader vond het geweldig dat hij „onder majesteits wapenrok” ging dienen. Omdat hij tijdens zijn opleiding uitblonk in de lokale taal kwam hij bij de inlichtingendienst terecht, waar je gevangenen moest kunnen verhoren.

Toen Grijzenhout in de zomer van 1947 op Oost-Java landde was het gebied ten oosten van de havenstad Surabaya al in handen van de mariniers. Hun taak was vervolgens er de orde te handhaven. De VDMB hielp daarbij door het Indonesische verzet te bespioneren en gevangenen en informanten te verhoren. Een deel van de inlichtingendienst ging daarnaast ook geregeld zelf mee op patrouille waarbij ‘vijandelijke dorpen’ werden aangevallen. „Zo’n vijandelijke kampong werd dan half omsingeld.” Grijzenhouts stem en handen beginnen te trillen en de tranen springen in zijn ogen. „En dan kreeg je de opdracht te schieten op alles wat bewoog.” Ook op vrouwen en kinderen. „Ik zie het nog zo voor me, een moeder met een kindje op haar arm die wegrende. Je wist niet wie je raakte, je schoot met z’n allen tegelijk van een afstand.”

De doden bleven liggen terwijl de huizen van de kampong vaak ook nog in brand werden gezet. „Dan had je zo’n hutje van een man die bij de ‘ploppers’ (Indonesische vrijheidsstrijders) zat, en zijn vrouw was alleen met de kindertjes achtergebleven. En dan moest je dat in de brand steken. Verschrikkelijk.” Op andere momenten werden kampongs met de grond gelijk gemaakt door tanks, zoals te zien is op de foto uit zijn album. Dan konden de mariniers het gebied beter overzien. „Als ik daar nog aan denk. Dat huis werd verwoest terwijl de ‘ploppers’ er nog inzaten.” Hij begint onrustig te ademen. „Ik wil er niets meer over horen nu.” Daar zit het schuldgevoel waar hij ’s nachts niet van slapen kan.

Gevangenen onder stroom gezet

Al kwamen het niet dagelijks voor, hij heeft ook op onschuldige burgers geschoten en kampongs omver gereden. „Die zogenaamde extremisten, dat waren mensen die vochten voor hun vrijheid. Wij hadden in Indonesië niks meer te zoeken na de Japanse capitulatie in 1945. De grote fout die ik gemaakt heb is dat ik geen dienst geweigerd heb, ik had nooit moeten gaan, dan maar de gevangenis in!” Maar toen hij daar eenmaal zat had hij geen keus, je moest zien te overleven. Want het ging er van Indonesische kant ook hard aan toe: Grijzenhout liep een schampschot aan zijn linkerhand op en werd in zijn borst en been geschoten.

De verhoren door de VDMB waren volgens Grijzenhout niet zachtzinnig. Hij was enige tijd bewaker in de Bubutan gevangenis in Surabaya, waar vrijheidsstrijders werden opgesloten. „Verhoren deden we meestal met z’n tweeën. Dan zat je met je bajonet op schoot en als de gevangene niet wilde antwoorden moest je hem prikken.” Hij huivert bij de herinnering. De gevangenen werden ook met stroom tot praten gedwongen. „Door de elektriciteit ging heel hun lichaam schudden.” Toch was Grijzenhout blij dat hij de gevangenen er stiekem eten kon toestoppen en met ze kon praten, naar eigen zeggen kocht hij zo zijn schuldgevoel af. Hij raakte bevriend met vrijheidsstrijders zoals Anton Monopo en Bpak Wardi. „Ze namen mij gewoon tussen hen in en dan zongen we samen het Indonesische vrijheidslied!” Hij laat horen hoe het klonk, hij kent de tekst nog helemaal.

„Mensen die tijdens de verhoren schuldig waren bevonden door de officieren werden gefusilleerd.” Ook één van de gevangenen met wie Grijzenhout bevriend was geraakt, belandde voor het vuurpeloton. Bpak Wardi overleefde zijn verblijf in de gruwelgevangenis. Grijzenhout zocht hem later op in zijn kampong. „Dat ik daar dan werd ontvangen door zijn familie, vond ik fantastisch! Mag ik jouw geweer Tuan, vroeg hij. Dat is goed, zei ik, maar dan wil ik jouw kleding. Zo deden we die bizarre kledingruil van op de foto.’

Terug in Nederland, in 1949, belandde hij een half jaar in een psychiatrische kliniek. „Ik was onhandelbaar, werd gillend wakker ’s nachts.” Toen hij eruit kwam moest er altijd iemand bij hem slapen. Wrang is dat hij later als psycholoog mensen van trauma’s afhielp maar zelf nooit van zijn eigen trauma genas. Toen zijn vrouw laatst op reis was, sliep hij overdag en keek ’s nachts tv met alle lichten aan.„Ik heb vier medailles gekregen voor mijn zogenaamd getoonde moed. Maar ik ben sindsdien maar een bang mannetje.”