Zo vader, zo zoon. Toch. Verdomme

literaire ster van Duitsland schreef een speelse, licht filosofische roman Over drie zoons die zich aan hun vader willen ontworstelen

Foto Gene Glover/ Focus / HH

redacteur boeken

Ironie is zeldzaam in de Duitse literatuur. Thomas Mann was een meester in het genre, maar verder is het aantal grote humoristische schrijvers in Duitsland dun gezaaid. Het werk van Daniel Kehlmann (1975) maakt veel goed. Sinds hij in 1997 debuteerde met de roman Beerholms Vorstellung, kun je niet meer om hem heen. Zijn boeken blinken uit in stijl en psychologisch inzicht; zijn humor heeft vaak iets ontroerends. Ook zit er altijd wel iets licht filosofisch in zijn werk. En die combinatie van serieus en grappig is precies waar lezers uit het land van Kant, Schopenhauer en Hegel van houden.

Met zijn Ich und Kaminski, een satirische roman over de nepwereld van de moderne kunst, brak Kehlmann in 2003 internationaal door. Van Die Vermessung der Welt (Het meten van de wereld), zijn twee jaar later verschenen roman over de belevenissen van natuuronderzoekers Alexander von Humboldt en Karl Friedrich Gauss ten tijde van de val van Napoleon, werd wereldwijd acht miljoen keer verkocht. Kehlmann won de ene na de andere grote prijs.

Ook in zijn nieuwste roman, F, knap vertaald door Gerda Meijerink, valt veel te genieten. Wederom is het boek een licht filosofische en speelse pageturner, waarin niet alleen een spannend en ontroerend verhaal wordt verteld, maar ook grote levensvragen aan de orde komen.

Dit keer is sprake van een ontwrichte familie: die van de mislukte schrijver Arthur Friedland en zijn drie zonen: de tweeling Iwan en Eric en de eenzame Martin, die uit een andere relatie stamt. Arthur is een wegloper, zo’n man die hem smeert als hij het leven niet meer aan kan, een laffe echtgenoot, een waardeloze vader.

De zoons groeien op zonder vader

Als hij aan het begin van het boek met zijn dan nog jonge zoons een theatershow bezoekt van de beroemde hypnotiseur Lindemann gaat het mis. Lindemann wijst Arthur tijdens de hypnose op zijn gebrek aan eerzucht en ‘beveelt’ hem te doen wat hij echt wil. En dat is wegvluchten uit zijn bestaan van mislukt schrijver, die voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van zijn vrouw. Nog diezelfde middag smeert hij hem, zijn gezin in verwarring achterlatend.

Pas jaren later duikt hij weer op. Niet in levenden lijve, maar als schrijver van een succesroman, Mijn naam is Niemand. De hoofdpersoon in dat boek is een jongeman, F genaamd, die de wijde wereld intrekt, maar tegelijkertijd wil laten merken dat hij niet bestaat. Het boek is eigenlijk een excuus voor zijn bestaan.

Kehlmann laat zo zien hoe ontwricht de levens van Arthurs drie zoons zijn: Martin wordt pastoor, maar gelooft meer in zijn kwaliteiten als Rubiks-kubusdraaier dan in God. Als kind was hij blij geen vader te hebben, geen leidsman tegen wie hij op moest boksen, geen druk. Van de drie jongens voelt hij zich dan ook het meest vrij, hoewel dat neurotische gedraai aan de Rubiks kubus je daaraan doet twijfelen.

De tweeling leidt een veel gecompliceerder leven. Iwan wil kunstschilder worden, maar is volgens anderen niet goed genoeg. Hij belandt als kunsthandelaar op het verkeerde pad door in naam van de middelmatige schilder Eulenböck, met wie hij een verhouding heeft, landschapsschilderijen te maken, die tonnen opbrengen. Eulenböck geeft de interviews en opent de tentoonstellingen, Iwan doet het werk en blijkt wel degelijk talent te hebben – voor wie het wil zien.

Met Eric is het slechter gesteld. Hij is eigenaar van een beleggingsfonds dat het kapitaal van zijn investeerders heeft laten verdampen. Van de stress zit hij onder de kalmeringsmiddelen en neukt hij zich suf met zijn voormalige psychiater, die hoopt dat hij zijn vrouw voor haar verlaat.

Maar aan je afkomst ontkom je niet

Naarmate F vordert gaan de drie zoons steeds meer op hun vader lijken, ook al kunnen ze zich weinig van hem herinneren. Als Eric op een gegeven moment tegen Martin zegt dat het belachelijk is dat hij een priesterstudie volgt omdat ze ‘Joden’ zijn, waarmee hij doelt op Arthurs Joodse vader, zegt Iwan: ‘Wij zijn helaas niets. Dat weet je.’

In die paar woorden zit de essentie van deze mooie roman besloten: het onmogelijke verlangen om niemand en niets te zijn. Kehlmann versterkt dat met een intrigerend hoofdstuk over Arthurs afstamming, waarin hij de achtereenvolgende generaties afstroopt. Op die manier haalt hij ieders ontkenning van zijn of haar afkomst onderuit. En Arthur zegt: ‘Wat weg is, is weg. Wat was, wordt vergeten, en wat vergeten is, komt niet terug. Ik heb geen herinnering aan mijn vader.’ Dan besef je ineens hoe dramatisch de gevolgen zijn van de dag waarop zijn vader, zich onbewust van zijn Joodse identiteit, op last van de nazi’s werd ontslagen en uiteindelijk gedeporteerd. Daaraan dankt Arthur overduidelijk zijn gevoel van de zinloosheid van zijn bestaan.

Die familiebanden zijn in F dan ook het belangrijkste thema. Vandaar het opvoeren van Iwan en Eric, die ondanks hun verschillende levens toch tot elkaar aangetrokken worden. Alleen Martin lijkt zich los te hebben gemaakt van zijn vader. Maar dat blijkt schone schijn, want ook hij zit in zijn afkomst gevangen. Hij lost het alleen wat beter op, door als priester de leidsman van iedereen te worden en vooral zijn vaders vader.