Waar zit de rem op het kapitalistisch succes?

De bronnen zijn onberispelijk. Dagblad The Wall Street Journal. Weekblad The Economist. Maandblad Quote. Miljardair Bill Gross. Zij zijn stuk voor stuk aanhangers, soms zelfs uitgesproken pleitbezorgers, van vrij ondernemerschap. Van de vanzelfsprekende gezonde en voor ons allen profijtelijke, ja inspirerende relatie tussen ondernemerschap, risico’s nemen en kapitaal vergaren. Zij vieren, kortom, het moderne kapitalisme met verve.

Maar zij worden onrustig. Er knaagt iets. Het gaat de kapitalisten zo verbijsterend goed, dat sommigen zich afvragen: Waar zit de rem op ons hemelse succes? The Wall Street Journal constateerde vorige maand dat de winstmarges van het Amerikaanse bedrijfsleven sinds 1929 niet zo hoog zijn. Eerder deze maand merkte The Economist op dat een „alsmaar stijgend deel van de opbrengsten van economische groei bij de eigenaren van kapitaal terechtkomt”. Het weekblad wijst op cijfers van de OESO, een denktank van de politiek-economische grootmachten: het aandeel van de factor arbeid in de gegroeide ‘economische koek’ is gedaald van meer dan 66 procent twintig jaar geleden tot net 62 procent in het afgelopen decennium.

En als u afgelopen weekend de nieuwe Quote 500 hebt gekocht om u te laven aan of te verbazen over de jaarlijkse rijkenlijst, dan weet u dat zij samen 6 procent rijker zijn geworden. Dat lijkt me nog een onderschatting, en dat zeg ik niet vaak bij de soms gemakkelijk rijk gerekende lijst. Kennelijk ondermijnden de stroppen van de vastgoedjongens de vermogensaccumulatie van de echte ondernemers.

Nog één cijfer. In zijn maandelijkse kroniek van de lopende financiële zaken kwam de Amerikaanse miljardair Bill Gross met een pre-revolutionair getal. Gross is hoofd van Pimce, een geldbeheerder. Pimco is een van de grootste beleggers en handelaren op de internationale financiële markten. De groep van 1 procent Amerikanen die het meest verdienen heeft zijn aandeel in de winst voor belasting de afgelopen veertig jaar verdubbeld tot 20 procent, schrijft hij in zijn Investment Outlook. (Voor een internetverwijzing, zie vanmiddag een tweet op @menno_tamminga.) Gross: „Een gevestigde economie werkt het best wanneer de inkomensongelijkheid minimaal is.”

Het is zoals het is: de rijken worden steeds rijker. Fluisterde iemand daar crisis? Niet voor wie de afgelopen jaren in aandelen en/of obligaties heeft belegd. De winsten van grote beursgenoteerde bedrijven zijn puik dankzij de ultralage rente, effectieve kostenverlagingen en saneringen. De koersgraadmeters op internationale aandelenmarkten hebben recordhoogte bereikt. Net als prijzen op sommige kunstveilingen.

Dit is geen beleggerscrisis (tenzij u zwaar in vastgoedbeleggingen zit). Dit is een werknemerscrisis.

Al hebben werknemers ook in hun eigen crisis nog iets te genieten. Zo paradoxaal en vernuftig zit het moderne kapitalisme wel in elkaar. De pensioenfondsen die het spaargeld beheren van de werknemersmassa’s profiteren volop van die hausse op de internationale beleggersmarkten.

Wat te doen? Gross pleit voor een belastingverhoging op kapitaalinkomsten. Daarmee wordt hij zomaar erelid van de SP-afdeling Californië. Maar Gross’ advies heeft een onverbiddelijke logica. Politici hebben de lasten op consumptie, arbeid en huishoudens verhoogd om de crisistekorten te financieren. Dan verwacht je hetzelfde op kapitaalinkomsten, zoals dividend of vermogenswinst. Als dat te ingewikkeld is en/of te veel mankracht bij de Belastingdienst kost, dan verhoog je toch gewoon de winstbelasting.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.