Onderken de noodsituaties in de allerlaatste levensfase

De dood laat zich niet zomaar temmen, dat heeft de zaak ‘Tuitjehorn’ aangetoond. Zo’n tragedie kan weer gebeuren, schrijft Ignace Schretlen.

Wanneer de dood niet zo gruwelijk gemeen voor de dag zou kunnen komen, was een kwart eeuw wet- en regelgeving op het gebied van euthanasie en palliatieve zorg overbodig geweest.

Nu alles nauwgezet in woord en geschrift is vastgelegd, is echter de indruk ontstaan dat de dood is getemd.

Dokters verzekeren patiënten dat zij niet meer hoeven te vrezen voor een gruwelijke dood en de wetgever controleert of de spelregels nauwgezet worden nageleefd. Alles lijkt onder controle.

Helaas is dat een misvatting. De ‘tragedie Tuitjenhorn’ confronteert alle partijen met een situatie die zich elke dag kan voordoen maar waarover liever wordt gezwegen: soms manifesteert de dood zich toch nog als een wrede moordenaar, waarbij de patiënt afschuwelijk lijdt. Hoe moeten dokters in een dergelijke noodsituatie handelen?

In twintig jaar tijd heb ik dit als huisarts drie keer op onverwachte momenten meegemaakt maar de beelden branden nog op mijn netvlies.

De KNMG reageerde op de ‘tragedie Tuitjenhorn’ met het voorstel dat elke huisarts bij zijn vijfjaarlijkse herregistratie moet kunnen aantonen dat hij bekend is met de regels en de praktijk rond euthanasie en palliatieve zorg. Hier gaat het echter niet om.

Het probleem is juist dat je als arts in de beschreven noodsituatie weinig of niets aan deze regels hebt.

De patiënt lijdt zodanig dat hij maar één ding wil: een einde aan de pijn en/of de benauwdheid. Met iemand die – ik noem maar wat – op dat moment hevig bloed braakt, kun je niet meer overleggen.

Op veertienjarige leeftijd zag ik hoe mijn boezemvriendje een zieltogende duif uit zijn lijden verloste door een trap op de kop van het dier. Pas later kon ik deze ‘wrede’ daad aanvaarden als een uiting van compassie.

De wet- en regelgeving op het gebied van euthanasie en palliatieve zorg is ook voortgekomen uit compassie met de ondraaglijk lijdende medemens.

In de medische branche is er een sterke trend om het naleven van richtlijnen boven alles te stellen omdat het handelen dan toetsbaar is.

In een noodsituatie, waarin regels tekort schieten, zal een arts die zich door compassie laat leiden de beste weg kiezen – van zoeken is dan geen sprake meer – om het lijden te bestrijden.

Bij wat ‘de beste weg’ is spelen eerdere ervaringen een wezenlijke rol.

De ene arts zal anders handelen dan de andere arts. Intuïtief zullen veel artsen dan voor morfine kiezen, maar tegelijk weet je ook dat de benodigde dosis sterk kan variëren.

Eén keer besloot ik om alle ampullen in mijn spoedkoffer tegelijk in te spuiten; had ik dat niet gedaan, dan had de patiënt wellicht onnodig geleden.

Het is begrijpelijk dat het openbaar ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg redeneren en handelen vanuit de wet- en regelgeving; noodsituaties vallen binnen de blinde hoek.

Vanuit hun perspectief zullen er in Nederland vermoedelijk heel wat dokters rondlopen die van een moord verdacht kunnen worden.

Bij het verschil tussen euthanasie en palliatieve zorg speelt de intentie van het handelen van de arts een cruciale rol.

Wanneer zich echter een onhoudbare situatie voordoet in de allerlaatste fase van een terminaal lijden, kunnen het – uit compassie – beëindigen van het lijden van de patiënt én het teweegbrengen van de dood twee kanten zijn van hetzelfde handelen.

Het onderkennen of zelfs negeren van dit soort noodsituaties door de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het openbaar ministerie kan in de praktijk leiden tot terughoudendheid bij artsen, waardoor de in doodsnood verkerende patiënt onnodig lang moeten leiden.