‘Netjes spelen wat er staat, is niet authentiek’

Lezing en concert op Young Pianists Festival bepleiten herwaardering van negentiende-eeuwse speelvrijheid

De jonge Britse pianist Benjamin Grosvenor, voorvechter van een vrije en spontane manier van spelen, soleerde zaterdag in het Amsterdamse Concertgebouw Foto Andreas Terlaak

Geen credo staat bij hedendaagse pianisten hoger in het vaandel dan ‘trouw aan de partituur.’ Sleutelen aan wat de componist heeft voorgeschreven geldt tegenwoordig algemeen als zelfgenoegzaam, respectloos en ontheiligend. Door deze deemoedige, haast onderdanige houding is het hedendaagse pianospel braver geworden dan ooit tevoren: nauwkeurig, letterlijk, consistent en metronomisch.

Sinds een aantal jaar stuit deze schoolsheid op veel protest. Onder andere van de Australische pianist Neal Peres da Costa (1964), die zaterdag de eerste van twee lezingen gaf op het Young Pianists Festival in Amsterdam. Da Costa deed jarenlang onderzoek naar een schatrijke, tot voor kort nauwelijks bestudeerde bron: vooroorlogse geluidsopnames van pianisten uit de 19de-eeuwse traditie. Z’n bevindingen zijn in één woord onthullend: in de 19de eeuw hield vrijwel niemand zich aan de voorgeschreven notatie. Ritmes werden vrijelijk omgebogen, tempi oneindig gerekt. Ook de noten zelf werden vaak naar believen gewijzigd of gevarieerd. Componisten keurden deze praktijken niet af, maar juist goed. De conclusie is even simpel als revolutionair: wie precies speelt wat er staat, doet de muziek geen recht.

Maar werd er dan zomaar op los gefantaseerd? Beslist niet, stelde Da Costa in zijn lezing: „Negentiende-eeuwse pianisten bootsten het belcanto uit de Italiaanse opera na, een oneindig buigzame zangstijl, vol suggestieve gebaren en agogische affecten. Wil je die expressiviteit als pianist benaderen, dan moet je wel loskomen van de partituur.”

Volgens velen vertellen oude opnames ons alleen iets over de speelstijl van rond 1900. Een kwalijk misverstand, legde Da Costa uit. „De oudste opnames zijn van pianisten die geboren werden toen Chopin en Schumann nog leefden, zoals Carl Reinecke (1824) en Theodor Leschetizky (1830). Die brengen ons direct terug naar het begin van de 19de eeuw. En er is geen enkele reden om te denken dat het in de 18de eeuw wezenlijk anders was.”

Onder invloed van YouTube grijpen steeds meer jonge pianisten terug op de betoverend spontane speelstijl van de 19de eeuw. De Amerikaanse pianiste Shuann Chai maakt furore met zeldzaam vrije, avontuurlijke interpretaties. Yulianna Avdeeva, die in 2010 het Chopin Concours in Warschau won, overtrof al haar concurrenten in elegantie en spontaneïteit. Ook de Britse rising star Benjamin Grosvenor plaatst zichzelf in de traditie van de ‘oude school.’ Naar eigen zeggen luistert hij ‘amper nog naar moderne pianisten.’

In de NTR Zaterdag Matinee was het resultaat te horen: Grosvenors vertolking van Saint-Saëns’ Tweede Pianoconcert was volstrekt onconventioneel. De grote solo aan het begin, tegenwoordig altijd zwaar en dramatisch vertolkt, klonk bij Grosvenor licht en ongedwongen. Terugkerende thema’s klonken nooit identiek. Het slotdeel speelde hij geestig en razendsnel, maar zonder de gretige sportiviteit waarmee moderne pianisten dit stuk te lijf gaan.

Als geheel maakte Grosvenors interpretatie de indruk van een improvisatie: ontspannen en zonder prestatiedrang liet hij zich door zijn eigen invallen verrassen. En ongetwijfeld speelt hij het stuk volgende keer weer heel anders.

Interessant genoeg staat Grosvenors aanpak niet alleen haaks op mainstream pianospel, maar ook op de ‘historische geïnformeerde’ speelstijl, die volgens Da Costa nog maar „in de kinderschoenen” staat.

Da Costa: „Het is onbegrijpelijk dat de Oude Muziekbeweging oude opnames negeert. Musici die claimen dat ze spelen in 18de- of 19de-eeuwse stijl, spelen in wezen vaak heel modern. Hun spel ademt nog lang niet de vrijheid en improvisatorische vreugde die in het verleden gebruikelijk was.”