Groot stuk Floris 1000

Bewogen door dramatische beelden uit de Filippijnen zullen veel Nederlanders vandaag weer de portemonnee trekken voor hulp aan het rampgebied. Maar is dat ook goed besteed geld? Komt het inderdaad terecht bij de meest hulpbehoevenden?

De ervaringen uit het recente verleden stemmen niet onverdeeld optimistisch. Na de verwoestende tsunami van 2004 in Zuidoost-Azië schonken Nederlandse particulieren bij een soortgelijke inzamelingsactie van de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) het bedrag van 208 miljoen euro, nog steeds een Nederlands record. Wereldwijd werd zelfs vier miljard euro ingezameld van particulieren en nog eens zes miljard van regeringen.

Maar al ruim een jaar later concludeerden de VN, hulporganisaties en onderzoekers in een vernietigende evaluatie dat de internationale gemeenschap er een rommeltje van had gemaakt. Weliswaar was de noodhulp – water, voedsel, medische hulp – boven verwachting goed verlopen, maar de aansluitende fase, waarin de getroffen bewoners economisch en anderszins weer geleidelijk aan op eigen benen leren staan, bleef ver onder de maat. Daarbij speelde een rol dat veel hulporganisaties daarvoor minder interesse toonden, omdat ze met zulk werk minder zichtbaar waren en potentiële nieuwe donateurs dus minder zouden kunnen laten zien.

„Het zwakke punt bij de tsunami van 2004 was dat de onderlinge coördinatie ontbrak”, zegt Peter Jensen, hoofd van het Kopenhaagse Centrum voor Rampenonderzoek, een denktank. „Maar er is sindsdien veel geleerd.”

Toch was ook de hulpverlening bij een volgende grote ramp, de aardbeving in Haïti van 2010, weer verre van succesvol. „Er waren na de aardbeving in Haïti 3.000 hulporganisaties actief, waarvan 2.000 geen enkele ervaring hadden”, zegt Dick Loendersloot, noodhulpcoördinator van ICCO en Kerk in Actie en zelf al 29 jaar actief in de sector. „Dat zie je veel helaas, dat bij elke ramp zich weer nieuwe organisaties zonder ervaring melden. Dan gaat er veel mis.”

In Haïti was er wel meer coördinatie. In de gezondheidssector brachten de VN bij voorbeeld alleen al in de gezondheidssector 420 hulporganisaties onder één paraplu. Desondanks verliep de medische hulp slecht. Personeel van de Wereldgezondheidsdienst (WHO) van de VN was op een gegeven moment veel tijd kwijt aan het vernietigen van onbruikbare, gedoneerde medicijnen. Tot overmaat van ramp importeerden Nepalese VN-militairen de cholerabacterie in het tot dan choleravrije Haïti. Circa 650.000 Haïtianen werden ziek en zo’n 8.000 van hen stierven.

„Het was enorm frustrerend”, zegt Arjan Hehenkamp, directeur van Artsen zonder Grenzen. „Ik herinner me nog zo’n vergadering in Haïti onder leiding van de VN met mensen van meer dan 200 hulporganisaties bij elkaar. Dat werd natuurlijk niets. Er waren gewoon te veel organisaties met te weinig kennis van zaken.”

Veel hulporganisaties wisten ook niet waar ze het geld aan moesten besteden en lieten het geld deels ongebruikt op hun rekening staan. De journaliste Linda Polman, die veel heeft geschreven over noodhulp, concludeerde twee jaar geleden zelfs in deze krant: „Noodhulp komt altijd te laat en is altijd te gering.”

Feit is dat hulpverleners er bijna nooit meteen na de ramp zijn omdat dat fysiek onmogelijk is en niemand ontkent dat noodhulp vaak niet meer is dan een eerste pleister op de wonde. Op zijn minst even belangrijk is de opbouwfase daarna en daarvoor staan hulpverleners meestal niet in de rij.

Is de hulpactie voor de Filippijnen dus bij voorbaat verspilde moeite en kunnen de Nederlanders maar beter hun geld op zak houden? Nee, zeker niet, zeggen de meeste deskundigen. De bewoners in de getroffen gebieden, toch al een van de armere streken in de Filippijnen, hebben door de schaal van de verwoestingen dringend behoefte aan hulp, uiteenlopend van voedsel en water tot sanitair, medicijnen en onderdak.

Er is ook een goede kans dat de hulp doeltreffender zal zijn dan na de tsunami van 2004 en de aardbeving in Haïti. Belangrijk is dat de overheid in de Filippijnen veel beter functioneert dan die in Haïti. Ook zijn zowel de autoriteiten als de bevolking vertrouwd met rampen. „Ze weten met dat bijltje te hakken”, zegt Georg Frerks, hoogleraar rampenstudies aan de universiteit van Wageningen. „Deze ramp is alleen een maatje te groot voor hen.”

Een gunstige factor is ook dat sommige Nederlandse organisaties al actief waren in de Filippijnen, juist ook op de zwaarst getroffen eilanden Leyte en Samar. „We hebben daar al lokale partners, die goede contacten onderhouden met de lokale autoriteiten”, vertelt Loendersloot van ICCO. „Vanaf de eerste dag konden die in actie komen en de noden inventariseren. Ze zeggen dat er een schreeuwend tekort is aan onderdak, juist bij de armere mensen. Die woonden in zwakke huisjes die het eerst bezweken.”

Met de lessen van 2004 in het achterhoofd stellen ICCO, Kerk in Actie en andere organisaties nu al plannen op voor steun in de periode, wanneer de ergste nood gelenigd is. Bij alle hulp is ook van het grootste belang dat de hulpverleners oog hebben voor lokale gebruiken en goed luisteren naar de lokale bewoners. Ook moeten ze zoveel mogelijk gebruik maken van lokale kennis en vaardigheden.

Bovendien is dat goedkoper dan het invliegen van dure buitenlandse hulpverleners en het inschakelen van de dure bestuurlijke apparaten van buitenlandse hulporganisaties. Enigszins schertsend zegt de Deen Jensen: „Misschien is al het geld dat al die Filippijnse kindermeisjes nu uit het buitenland naar huis sturen wel doelmatiger dan al die andere hulp uit het buitenland.”

Maar Frerks neemt het op voor de buitenlandse hulporganisaties. „Hun hulp is in dit stadium goed besteed geld. De lokale gemeenschap kan het juist zelf niet aan en het gaat om mensenlevens.”

Volgens Jensen zijn veel buitenlandse hulporganisaties niet flexibel genoeg. Elke ramp is weer anders en vaste procedures en draaiboeken werken vaak contraproductief. Hij noemt het geval van de schenking van voedzame, zoete biscuits bij de overstromingen in Pakistan van 2010, in een gebied met veel diabetespatiënten.

„Veel hulporganisaties komen ook steevast met waterzuiveringstabletten”, zegt Jensen, „maar vaak willen lokale bewoners zulk drinkwater niet drinken omdat ze het vies vinden smaken. Denk dan out of the box en geef ze in plaats daarvan emmers om het regenwater, dat bij bakken uit de lucht valt op te vangen. Een ander voorbeeld zijn de latrines, die sommige hulporganisaties steevast installeren. Veel kinderen durven daarvan geen gebruik te maken. Ze zijn bang dat ze door zo’n donker gat in de derrie vallen en doen hun behoeftes gewoon buiten. Daar kunnen ze vaak een bron van ziektes worden. Daarom werken wij in Denemarken nu aan een kleinere kindvriendelijke latrine.”

Ook in de Filippijnen is succes niet verzekerd. Het is inherent aan een grote natuurramp dat er vooral in het begin een enorme chaos heerst en dat de infrastructuur ter plaatse dikwijls goeddeels verwoest is. Zelfs in het Westen verloopt de hulpverlening dan vaak stroef. Zie de orkaan Katrina in de Verenigde Staten van 2005. Tegelijk is een vast gegeven dat zoveel ellende veel solidariteit bij mensen elders in de wereld opwekt. „Daardoor krijg je altijd weer veel nieuwe, goed willende mensen die zelf hulp willen verlenen”, zegt Hehenkamp van Artsen zonder Grenzen. „Dat maakt de coördinatie erg moeilijk. Eigenlijk kan ik dan ook geen enkel voorbeeld bedenken van een grote ramp, waarbij de coördinatie goed was geregeld.”